direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Schinkelkwadrant-Zuid 2018
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voornemen bestaat tot herontwikkeling van de locatie Schinkelkwadrant-Zuid in Heerlen. Dit als onderdeel van het ontwikkelingsprogramma Urban Living zoals opgenomen in het bidbook Urban Heerlen en als onderdeel van het stedenbouwkundig en landschappelijk contourenplan ‘Central Park Heerlen’. Binnen het plangebied Schinkelkwadrant-Zuid is voorzien in een afronding van het kernwinkelgebied in de vorm van een woonomgeving in parkachtige setting, met in beperkte mate op de begane grond commerciële functies. Het project 'Schinkelkwadrant-Zuid' vormt één van de speerpunten bij het realiseren van de ambities uit het bidbook om het centrum van Heerlen te versterken.

Binnen het plangebied is reeds jarenlang sprake van leegstand en verpaupering. De herontwikkeling van dit gebied bestaat uit het amoveren van de overtollige kantoor- en detailhandelsmogelijkheden en het realiseren van maximaal 158 woningen. Het nieuwe bestemmingsplan creëert bouwmogelijkheden die op grond van het voorgaande bestemmingsplan niet zijn toegestaan en verwijdert tevens mogelijkheden die niet meer gewenst zijn.

Middels dit bestemmingsplan wordt voor het plangebied en de beoogde herontwikkeling een actueel juridisch-planologisch kader gevormd, dat voor een periode van minimaal 10 jaar zal gelden.

1.2 Situering plangebied

Het plangebied 'Schinkelkwadrant-Zuid' wordt globaal begrensd door de Schinkelstraat aan de noordzijde, de Honigmanstraat aan de oostzijde, de Promenade aan de zuidzijde en de Geerstraat aan de westzijde. In de directe omgeving zijn onder meer de schouwburg (aan de westzijde) en het Coriocenter (aan de noordoostzijde) gelegen. Op de navolgende afbeeldingen is de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart en is de exacte begrenzing van het plangebied weergegeven op een kadastrale ondergrond.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0002.png"  
Topografische kaart met ligging plangebied (rode pijl).  

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0003.png"  
Kadastrale kaart met begrenzing plangebied.  

1.3 Juridische status

1.3.1 Bestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Zuid'

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Zuid' zoals dit op 20 september 2013 door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld. Binnen dit bestemmingsplan is voor het plangebied de bestemming 'Centrum' van toepassing. Verder geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

Bestemming 'Centrum'

De als 'Centrum' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor:

  • a. detailhandel, voor zover voorkomend in de bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • b. dienstverlening, voor zover voorkomend in de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van maatschappelijke dienstverlening;
  • c. horeca categorie 1 tot en met 3, voor zover voorkomend in de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • d. kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen, 'specifieke vorm van kantoor - stadskantoor' en 'specifieke vorm van kantoor - bestaande kantoorvoorzieningen', voor zover voorkomend in de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten en met dien verstande dat:
    • 1. 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor - stadskantoor', kantoorvoorzieningen uitsluitend in de vorm van een stadskantoor zijn toegestaan;
    • 2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor - bestaande kantoorvoorzieningen', kantoorvoorzieningen zijn toegestaan;
  • e. leisure, voor zover voorkomend in de bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • f. wonen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen' en met dien verstande dat wonen niet op de begane grond is toegestaan, met uitzondering van ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van woningen. Bergingen ten behoeve van de binnen de bestemming 'Centrum' toegelaten woningen zijn ook buiten de aanduiding ‘wonen’ toegelaten;
  • g. verblijfsgebied.

In het bestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Zuid' zijn binnen de bestemming 'Centrum' eisen opgenomen ten aanzien van oppervlaktes dan wel aantallen:

  • a. voor de hieronder genoemde functies dient de volgende maximale bruto vloeroppervlakte in acht te worden genomen:
    • 1. detailhandel: 18.350 m²;
    • 2. leisure, horeca en dienstverlening: 1.150 m²;
    • 3. stadskantoor: 7.000 m²;

met dien verstande dat de kantoren ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor - bestaande kantoorvoorzieningen' niet worden meegerekend bij de bovengenoemde vierkante meters.

  • b. binnen de maximaal toegestane 18.350 m² bvo detailhandel dient minimaal één grootschalige detailhandelsvestiging van minimaal 1.500 m² bvo gesitueerd te worden;
  • c. verkoopruimtes ten behoeve van detailhandel zijn uitsluitend toegestaan op de begane grond en de verdiepingen;
  • d. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 30.


afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0004.png"  
Verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Zuid'.  

Bestemming 'Waarde - Archeologie'
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de (mogelijke) archeologische waarden van de gronden. In deze dubbelbestemming is de voorwaarde opgenomen dat voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is binnen het vigerende bestemmingsplan vanuit functioneel opzicht en op grond van de toegestane bebouwingshoogtes niet geheel mogelijk.

1.4 Planvorm

De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan. De toelichting geeft een nadere uitleg van de gemaakte beleidskeuzen en invulling van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.

Elk bestemmingsplan is te onderscheiden door een landelijk uniek identificatienummer. Dit bestemmingsplan is geregistreerd en vindbaar op het landelijke portaal onder www.ruimtelijkeplannen.nl nummer NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301.

1.4.1 Toelichting

In de toelichting wordt de opzet van het plan beschreven en zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten vermeld. Ook wordt verslag gedaan van de resultaten van het over het plan gevoerde overleg en inspraak.

1.4.2 Regels

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de gronden, die in het plan zijn gelegen, bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden of functies. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld, die regelingen bevatten over het gebruik van deze gronden en van de opstallen die zich daarop bevinden.

Met het oog op de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen schrijft de SVBP voor de wijze waarop een planregel is opgebouwd en hoe de regels worden ingedeeld (vaste hoofdstukindeling).

1.4.3 Verbeelding

De verbeelding geeft een grafische weergave van het plangebied. In de verbeelding zijn de plangrens, bestemmingen en aanduidingen weergegeven. Het bestemmingsplan onderscheidt een digitale en een analoge verbeelding. Beide verbeeldingen zijn rechtsgeldig, echter bij interpretatieverschillen is de digitale verbeelding beslissend.

De digitale verbeelding is een interactieve raadpleegomgeving via het internet die de gehele inhoud van het bestemmingplan (grafische weergave, regels en toelichting) toont. Door een muisklik op de kaart te geven verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in beeld. Tevens is het mogelijk om te meten op de kaart en door middel van coördinaten (het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel) de exacte locatie te bepalen.

De analoge verbeelding bestaat uit 1 blad en heeft een schaal van 1:1.000. De legenda legt een verbinding tussen de bestemmingen, aanduidingen en de regels en geeft een verklaring van de maatvoering, symbolen en topografische ondergrond(en).

1.4.4 Ondergrond

De ondergrond is een samenstelling van de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie) en kadastrale begrenzingen.

Na vaststelling van het bestemmingsplan is de gehanteerde ondergrond onlosmakelijk met het bestemmingplan verbonden. De ondergrond is zichtbaar op de analoge verbeelding, echter deze wordt niet standaard getoond in combinatie met de digitale verbeelding. De topografische kaarten en luchtfoto's die worden getoond op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn niet altijd up to date en slechts bedoeld als oriëntatiemiddel. Bij interpretatieverschillen is de vastgestelde ondergrond bepalend.

1.5 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 is het plangebied beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling van het plangebied. Hoofdstuk 5 gaat in op de verschillende omgevingsaspecten. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven en hoofdstuk 8 geeft een beeld van de doorlopen bestemmingsplanprocedure en het gevoerde overleg.

Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader voor het rijksbeleid, het provinciaal en regionaal beleid en het gemeentelijk beleid, van toepassing voor het bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2018, toegelicht.

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker vooropzet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu.

Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.

Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Voor Parkstad Limburg geeft het Rijk in de SVIR wel aan dat het aanpakken van de krimpopgave noodzakelijk is om leegstand en verpaupering te voorkomen. Dit beleid is op regionaal niveau verder uitgewerkt.

Voor het plangebied geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte direct in het geding zijn.

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro).

Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. Het tweede lid van art. 3.1.6. luidt met de inwerkingtreding van de aangepaste ladder als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."


De ladder is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Voorliggend bestemmingsplan betreft een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening.

Wonen
Uit hiertoe verricht onderzoek (zie Bijlage 1) blijkt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte waaraan binnen bestaande stedelijk gebied kan worden voorzien. Als gevolg van deze ontwikkeling zal ook geen onaanvaardbare leegstand en verpaupering elders ontstaan.

De beoogde woningbouw binnen het plangebied past binnen de regionale woningbouwprogrammering, waarin voor het centrum van Heerlen 200 woningen zijn opgenomen. Met de invulling met maximaal 158 woningen (uitsluitend appartementen) past het plan hierbinnen en wordt tevens invulling gegeven aan de behoefte naar met name appartementen. Voor meer informatie hierover wordt onder meer verwezen naar de paragrafen 2.3.2 en 2.3.3.

Detailhandel

Ten aanzien van detailhandel is door Stec Groep het onderzoek 'Marktruimte voor detailhandel in Heerlen' uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies.

Uit het onderzoek blijkt dat de kwantitatieve behoefte aan winkels in z'n algemeenheid afneemt en in het bijzonder ook voor het centrum van Heerlen. Verder leiden het veranderende consumentengedrag en demografische veranderingen tot een andere kwalitatieve behoefte en een andere vraag. Geadviseerd wordt dan ook onder meer om de maximale mogelijkheden voor wat betreft detailhandel in bestemmingsplannen te beperken.

In het vigerende bestemmingsplan wordt binnen Schinkelkwadrant-Zuid en binnen de bestemming 'Centrum' 18.350 m² bruto vloeroppervlak aan detailhandel toegestaan. Daarnaast wordt ook binnen de bestemming 'Centrum - 2' aan de Honigmannstraat detailhandel toegestaan. In het voorliggende bestemmingsplan is detailhandel uitsluitend nog toegestaan op de begane grond aan de Honigmannstraat. Hiermee vindt een forse afname plaats van de juridisch-planologisch planvoorraad aan detailhandel, geheel in lijn met het bovengenoemde onderzoek en de ladder voor duurzame verstedelijking, aangezien sprake is van een afname van detailhandelsmogelijkheden waar ook geen concrete behoefte voor bestaat.

Horeca

De gemeente Heerlen heeft een nieuwe Horecavisie in voorbereiding. In deze visie wordt voor de binnenstad ingezet op versterking van de positie van de binnenstad en op clustering van horeca in een aantal strategisch gelegen en complementaire concentratiegebieden. Elk cluster heeft haar eigen kenmerken en op basis daarvan elk haar eigen type horeca.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0005.png"  
Kaart 'Visie op toekomstige horecastructuur binnenstad Heerlen.  

In de horecavisie is aangegeven dat de relatie tussen het Theater Heerlen en het centrum matig is. Bezoekers van het theater maken slechts mondjesmaat gebruik van horeca in het centrum voor of na de voorstelling, door het ontbreken van horeca in de directe omgeving.

Voor het plangebied is daarom in de horecavisie opgenomen dat in combinatie met de herontwikkeling van het Schinkelkwartier-Zuid, de vestiging van één of twee horecabedrijven op de hoek van de Geerstraat en de Promenade een belangrijke verbindende schakel kan vormen. Hierbij is het van belang dat het horeca is die aansluit op het bezoekmoment en het publiek van het theater (vooraf eten, achteraf borrelen). De horecafunctie kan tevens een functie vervullen voor centrumbezoekers en -bewoners, waaronder ook de toekomstige bewoners van de te realiseren woningen in het plangebied.

Voor wat betreft het type horeca wordt in de horecavisie aangegeven dat ter plaatse met name horeca van categorie 2 (lichte horeca) gewenst is. Daarnaast zou ook horeca van categorie 3 (middelzware horeca) inpasbaar zijn. Horeca van categorie 1 is toegestaan maar niet direct gewenst.

Met de realisatie van horeca op de hoek Geerstraat - Promenade wordt kortom vanaf het Theater Heerlen een nieuwe aantrekkelijke westelijke entree tot het centrum gecreëerd om bezoekers van het theater de stad in te trekken en wordt tevens voorzien in een aanvullende horecafuncties voor het centrum in z'n algemeenheid en de toekomstige bewoners binnen het plangebied in het bijzonder.

Geheel in lijn met de horecavisie, wordt binnen het plangebied op de hoek Geerstraat - Promenade horeca van categorie 1 tot en met 3 toegestaan. Het bestemmingsplan sluit hiermee aan op de uitgangspunten van de horecavisie.

Overige functies

Voor wat betreft de overige functies geldt dat slecht in beperkte mate (maximaal 1.000 m² bruto vloeroppervlak) aan horeca, leisure en andere bedrijvigheid (niet zijnde detailhandel) wordt toegestaan en uitsluitend op de begane grond van de bebouwing aan de zijde van de Promenade. Ook hiervoor geldt dat sprake is van afname van de planvoorraad, aangezien in het vigerende bestemmingsplan sprake is van 'leisure, horeca en dienstverlening van maximaal 1.150 m²'. Aangezien sprake is van een afname van de planvoorraad, past de voorgenomen ontwikkeling binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.


Conclusie

Zoals is aangetoond is de voorgenomen stedelijke ontwikkeling op basis van de ladder voor duurzame verstedelijking volledig te motiveren. Er is dus sprake van een ontwikkeling die voorziet in een actuele behoefte en die bijdraagt aan een optimale benutting van de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied.

Daarnaast is onderzocht of met de voorgenomen ontwikkeling op enig vlak in strijd met een goede ruimtelijk ordening zal worden gehandeld. Dit blijkt niet het geval. Zo is onder meer niet gebleken dat als gevolg van dit plan elders een onaanvaardbare leegstand zal ontstaan.

2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen.


In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen:

  • Rijksvaarwegen;
  • mainportontwikkeling Rotterdam;
  • kustfundament;
  • grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • defensie;
  • hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • elektriciteitsvoorziening;
  • buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Nationaal Natuurnetwerk;
  • primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Deze onderwerpen hebben geen betrekking op het gestelde in dit bestemmingsplan.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) 2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Gezamenlijk vormen deze beleidsdocumenten een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).


In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.

De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naartoe te gaan en vooral ook om hier te blijven.

Verder staat in het POL kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.


Visie Zuid-Limburg

De aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg wordt in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden (vergelijkbaar met de dichtheid in de Randstad) en het daartussen gelegen unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit heuvellandschap geeft samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen ruim 600.000 mensen, meer dan de helft van alle inwoners in Limburg. Het maakt onderdeel uit van een Europese regio met een rijk palet van economische topsectoren.

Tegelijkertijd is Zuid-Limburg in economisch opzicht te typeren als een 'tussenregio', tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied. Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Daarbij kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles te veel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0006.png"  
Uitsnede kaart 'Zonering Limburg' van het POL2014.  

Op basis van de kaart 'Zonering Limburg' ligt het plangebied volledig binnen de zone 'bovenregionaal verzorgend stedelijk centrum'. Deze zone omvat de grotere binnensteden van Limburg, die worden gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geven. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht van Limburg. Het accent voor deze gebieden ligt op de volgende aspecten:

  • Ontwikkeling centrumstedelijk woonmilieu;
  • Bovenregionaal verzorgend centrum, voorzieningen en detailhandel;
  • Multimodaal bereikbaar;
  • Cultuurhistorie.

In het POL2014 wordt specifiek met betrekking tot 'wonen' gesteld dat er in Zuid-Limburg grofweg drie woonsferen zijn te onderscheiden: stedelijk, landelijk en suburbaan. Elk van deze woonsferen is in te delen in meerdere woonmilieus. De stedelijke woonsfeer is te vinden in Heerlen, Maastricht en Sittard, en vlak over de grens in Aken. Deze gebieden, waarvan het plangebied deel uitmaakt, zijn bij uitstek het domein van de stedeling die de nabijheid van de binnenstad (o.a. cultuur, ontmoeting, voorzieningen en ontspanning) belangrijk vindt. De belangstelling voor de woonmilieus in en bij de stedelijke centra is en blijft groot. Beleidsopgaven die hierbij horen zijn: concentratie en verdichting, functiemenging en hergebruik van bestaand (karakteristiek en cultuurhistorisch) vastgoed. Aan deze beleidsopgaven wordt met de voorgenomen ontwikkeling invulling gegeven, waarmee deze geheel in lijn is met deze algemene beleidsopgaven uit het POL2014.


Ten aanzien van wonen wordt verder aangegeven dat in de regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg de keuzes verder uitgewerkt worden die op regionale schaal noodzakelijk zijn. Hierin wordt rekening gehouden met sterke en zwakke kanten, kansen en bedreigingen van de verschillende woonmilieus en gebaseerd op een gedeelde analyse in de woonmilieukaart op Zuid-Limburgse schaal. Langs deze, meer kwalitatieve weg, vindt de vertaling plaats van het beginsel 'meer stad, meer land´ en van de onderliggende, harde transformatieopgave. De kwalitatieve opgave wordt op deze manier sturend, met de kwantitatieve opgave als hard uitgangspunt. Voor meer informatie over de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2.

Conclusie

Het voorliggende initiatief betreft de herontwikkeling van het plangebied tot een centrumstedelijk woonmilieu, met in beperkte mate commerciële voorzieningen. Hiermee wordt volledig aangesloten bij het provinciale beleid voor het stedelijk centrum van Heerlen. Het plan is kortom in lijn met de uitgangspunten van het POL2014 voor de zone 'bovenregionaal verzorgend stedelijk centrum'.

2.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.

In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de voormalige ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone.

In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied (overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking). Herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen krijgt hierbij bijzondere aandacht.

De omgevingsverordening bepaalt dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen. Deze bepaling is niet van toepassing indien sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg; en het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

Uit onderzoek (zie Bijlage 1) blijkt dat het voorliggende plan rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro. De ontwikkeling kan vanwege de locatiegeboden vraagstukken en de omvang van de ontwikkeling niet worden gerealiseerd in monumentale gebouwen. Wel wordt een deel van de ontwikkeling gerealiseerd in het leegstaande beeldbepalende voormalige Rabobankpand aan de Promenade 2.

De structuurvisie Wonen Zuid Limburg is d.d. 23 november 2016 door gemeenteraad van Heerlen vastgesteld en het voorliggende plan voldoen aan het bepaalde in deze structuurvisie. De beoogde woningbouw binnen het plangebied past binnen de regionale woningbouwprogrammering, waarin voor het centrum van Heerlen 200 woningen zijn opgenomen. Met de invulling met maximaal 158 woningen (uitsluitend appartementen) past het plan hierbinnen en wordt tevens invulling gegeven aan de behoefte naar met name appartementen. Gelet op de beperkte behoefte in Heerlen en Parkstad in z'n algemeenheid, is het hierbij wel van belang te salderen op stads- en regionaal niveau. Deze saldering zal plaatsvinden door te snijden in de woningbouwprogrammering.

Dit plan voorziet niet in een reductie van de planvoorraad voor woningen. Binnen de gemeente Heerlen wordt de onbenutte planvoorraad gereduceerd in diverse actualiserende bestemmingsplannen. Ook voor het centrum van Heerlen is een dergelijk plan in voorbereiding. In de regels is in paragraaf 4.4.1 verankerd dat van de 156 woningen die dit bestemmingsplan binnen de bestemming 'Wonen' mogelijk maakt, 96 woningen rechtstreeks zijn toegestaan. Voor de overige 60 woningen geldt dat deze enkel zijn toegestaan vanaf het moment dat het bevoegd gezag heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan de in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg opgenomen eis van compensatie van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering, in de verhouding 1 toe te voegen woning : 4 te schrappen woningen.

2.2.3 Rapportage 'Beweging op de woningmarkt'

Op 3 november 2017 hebben Provinciale Staten (PS) van de provincie Limburg de motie ‘Beweging op de woningmarkt’ aangenomen. PS roepen hierin Gedeputeerde Staten op om met de woningmarktregio’s om tafel te gaan om te inventariseren welke knelpunten vanwege de veranderde woningmarkt binnen de regio’s worden gesignaleerd en in kaart te brengen welke mogelijke maatregelen deze knelpunten kunnen opheffen.

Op 30 januari 2018 hebben Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten de rapportage 'Beweging op de woningmarkt' aangeboden. Daarin wordt aangegeven dat de gemeenten de huidige samenwerking (Provincie – regio’s –gemeenten) met betrekking het woonbeleid willen voortzetten en op een aantal punten willen verbeteren. Het adagium ‘bouwen naar behoefte’ mag gelden als een breed gedragen uitgangspunt dat ook in de nationale wetgeving is verankerd. Volgens GS levert de vertaling hiervan in het POL en de regionale structuurvisies als praktijkervaring op, dat naast gewenste effecten ook knelpunten optreden, in de zin dat in een aantal gevallen niet voldoende kan worden voldaan aan de behoefte. GS willen het bouwen naar behoefte beter faciliteren en stellen daarom voor om in de praktijk een aantal praktische oplossingen te hanteren, die kunnen gelden als uitwerkingen van het bestaande woonbeleid. De regio’s worden opgeroepen om deze oplossingen te bezien en in de regionale structuurvisie of de uitwerking daarvan een plek te geven.

Onder andere wordt aangegeven dat er woningbouwlocaties zijn die gebaat zijn bij het loslaten van de directe koppeling tussen de reductie van plannen en nieuwe initiatieven met een urgent karakter, waarbij de vraag niet valt te matchen met het reguliere aanbod. Het is verstandig om bij dergelijke initiatieven in eerste instantie te kijken naar locaties, waar een impuls voor de ruimtelijke kwaliteit juist zeer gewenst is (bijv. centrumontwikkelingen, omzetten winkels in aanloopstraten naar woningen).

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Structuurvisie Parkstad Limburg

De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren:

  • Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land;
  • Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten;
  • Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen;
  • Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft.


De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's:


Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur

Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren.


Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht

Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte.


Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking

Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour.


Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid

De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.

Binnen het plangebied is sprake van herstructurering binnen het centrumgebied van Heerlen als Parkstad-centrum, waarbij met name stedelijk wonen wordt gerealiseerd met in beperkte mate commerciële functies, zoals nader omschreven in hoofstuk 4. Voor dit gebied is in de structuurvisie voorzien in een sterkere ontwikkeling van Parkstad Centrum en tevens in clustering in het centrum. Middels de voorgenomen herontwikkeling van het Schinkelkwadrant-Zuid wordt invulling gegeven aan deze ambities. De ontwikkeling past daarmee binnen de algemene beleidslijnen van de Structuurvisie Parkstad Limburg.

De vier hoofdthema's uit de structuurvisie zijn concreet uitgewerkt in diverse beleidsnota's, op zowel regionaal als gemeentelijk niveau. Deze komen in de volgende paragrafen aan bod, waarbij tevens wordt aangegeven hoe deze hun uitwerking hebben op bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2018.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0007.png"  
Uitsnede ontwikkelingskaart Structuurvisie Parkstad Limburg  
2.3.2 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg


De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn.


In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van het stedelijk gebied. Ten aanzien van het afstemmen van vraag en aanbod wordt geconstateerd, dat alleen voor de stedelijke woonsfeer de vraag groter is dan het aanbod. Dit heeft echter gevolgen voor de opgave elders in de gemeente.


Vanuit ruimtelijk oogpunt wordt aanbevolen om te kiezen voor 'gestructureerde concentratie'. Dat wil zeggen concentratie van ontwikkelingen binnen de centra en de centrumkernen. Hierdoor kan ook de voorzieningenstructuur beter in stand worden gehouden, in combinatie met een gerichte strategie om ook voorzieningen en andere ontwikkelingen te concentreren in de grote kernen. Hier hebben ook kleinere kernen zonder eigen voorzieningen baat bij, aangezien er binnen een redelijke straal ruim voldoende voorzieningen overeind kunnen blijven. Uitbreidingslocaties zijn schadelijk voor steden en dorpen om diezelfde reden.


In de structuurvisie wordt geconcludeerd dat sprake is van een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot, het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave en het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. Deze drie opgaven kunnen echter niet altijd één-op-één in de tijd gelijk lopen.


Om invulling te geven aan deze opgave hebben de 18 Zuid-Limburgse gemeenten en diverse beleidsafspraken gemaakt. Voor het plangebied is van belang dat de ruimtelijke focus wordt gelegd op het versterken van centra en kernen. Dat betekent ruimte creëren voor herinvulling van waardevol bestaand vastgoed en het schrappen van uitbreidingsplannen.

De beoogde woningbouw binnen het plangebied past binnen de regionale woningbouwprogrammering, waarin voor het centrum van Heerlen 200 woningen zijn opgenomen. Met de invulling met maximaal 158 woningen (uitsluitend appartementen) past het plan kortom binnen de regionale woningbouwprogrammering en wordt tevens invulling gegeven aan de behoefte naar met name appartementen (zie ook Bijlage 1). Gelet op de beperkte behoefte in Heerlen en Parkstad in z'n algemeenheid, is het hierbij wel van belang te salderen op stads- en regionaal niveau. Deze saldering zal plaatsvinden door te snijden in de woningbouwprogrammering. In de regels is in paragraaf 4.4.1 verankerd dat van de 156 woningen die dit bestemmingsplan binnen de bestemming 'Wonen' mogelijk maakt, 96 woningen rechtstreeks zijn toegestaan. Voor de overige 60 woningen geldt dat deze enkel zijn toegestaan vanaf het moment dat het bevoegd gezag heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan de in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg opgenomen eis van compensatie van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering, in de verhouding 1 toe te voegen woning : 4 te schrappen woningen.

Met het opnemen van de beoogde woningbouw in de regionale programmering is gehandeld overeenkomstig beleidsafspraak VI, zoals deze is opgenomen in de structuurvisie en waarin afspraken over het opnemen van nieuwe, kwalitatief goede woningbouwinitiatieven en de wijze van compenseren zijn vastgelegd.

Naast de kwantitatieve verzadiging, kent de Zuid-Limburgse woningmarkt ook een kwalitatieve opgave. Er dient uitdrukkelijk te worden ingezet op het vernieuwen en kwalitatief verbeteren van de bestaande woningvoorraad. In het voorliggende geval is sprake van de ontwikkeling van voor een belangrijk deel levensloopbestendige woningen (appartementen) in het centrumgebied, waarmee invulling wordt gegeven aan een concrete behoefte.

2.3.3 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg

Eind juni 2017 zijn de Regionale Woonvisies van alle 8 Parkstad gemeenten vastgesteld. Elke gemeente heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie. De documenten geven daarom niet alleen inzicht in de regionale Woonvisie Parkstad Limburg, maar tevens in de lokale woonvisies. Daar waar de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vooral Zuid-Limburgse spelregels geeft over de toevoegingen en onttrekkingen in de woningvoorraad, gaan de regionale woonvisies veel meer over kwalitatieve opgaven in de woningvoorraad. De woonvisies geven richting aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt; het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling­ en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft een woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties, ingegeven door de herziene Woningwet.

Op regionaal niveau is het versterken van aanwezige woonmilieus in Parkstad het vertrekpunt om de woonaantrekkelijkheid van zowel regio als gemeenten te verbeteren. Dit wel met ruimte om meer variatie binnen de bestaande woonmilieus te creëren.

Gemeenten werken samen aan een goede match van vraag en aanbod, door:

    • 1. het onttrekken van woningen waar de vraag achter blijft;
    • 2. het intrekken van ongewenste plancapaciteit;
    • 3. het toevoegen van woningen/woonmilieus waar veel vraag naar is.

Op gemeentelijk niveau is een aantrekkelijk woonklimaat is een van de randvoorwaarden voor het vestigingsklimaat in de regio. Wonen ondersteunt ontwikkelingen rondom de Campussen, RWTH, etc. Het centrum van Heerlen biedt binnen de regio een uniek centrumstedelijk woonmilieu. De gemeente wil dit woonmilieu versterken door cultureel aanbod, kwaliteit van de openbare ruimte en goede voorzieningen. De woonfunctie moet in het centrum meer ruimte krijgen. Bij de woonmilieus op afstand van het centrum kiest de gemeente juist voor 'verdunnen' en 'vergroenen' van wijken, zodat hier aantrekkelijke woonmilieus ontstaan.

De belangrijkste volkshuisvestelijke opgave van de gemeente Heerlen is gericht op de afstemming van wonen en zorg voor de verschillende doelgroepen. Daarnaast is het belangrijk voor de gemeente Heerlen dat de betaalbare huurwoningvoorraad op peil blijft en er voldoende aanbod levensloopgeschikte woningen zijn. Om de woonaantrekkelijkheid te verbeteren wil de gemeente Heerlen enerzijds het centrumgebied verder ontwikkelen als regionaal stedelijk centrum, en anderzijds in de woonwijken een kwaliteitsslag maken: naar meer ruime parkachtige woonmilieus. Met de realisatie van de woningen binnen het plangebied wordt geheel in lijn met de bovengenoemde uitgangspunten gehandeld, aangezien sprake is van grotendeels levensloopbestendige appartementen in het centrumgebied van Heerlen, waarmee een aanzienlijke versterking van het stedelijk woonmilieu plaatsvindt.

 

Verder past het initiatief, zoals reeds beschreven in paragraaf 2.3.2, binnen de regionale woningbouwprogrammering, waarin voor het centrum van Heerlen 200 woningen zijn opgenomen. De benodigde saldering op stads- en regionaal niveau zal plaatsvinden door te snijden in de woningbouwprogrammering.

2.3.4 Structuurvisiebesluit wonen

Op 31 oktober 2011 heeft het Parkstadbestuur een structuurvisiebesluit genomen, dat ingaat op het thema wonen. Zoals geschetst in het regionale woonbeleid (o.a. Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad, Parkstad Limburg) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg, niet gewenst om de regionale woningvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan woningen niet nog verder te laten toenemen. Wel blijft de noodzaak aanwezig om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende woonwensen. Daarvoor zullen nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd die dienen als vervanging van bestaande voorraad.

Geen verdere toename van de omvang van de regionale woningvoorraad betekent dat het wenselijk is dat nog beschikbare vigerende plancapaciteiten die leiden tot een toename van de regionale woningvoorraad niet per definitie moeten worden gerealiseerd en dat in voorbereiding zijnde uitbreidingen van de regionale woningvoorraad niet altijd worden omgezet in daadwerkelijke additionele plancapaciteit.

Beleidsbesluit

In haar regionaal woonbeleid, gepubliceerd als eigen beleid door de Parkstadgemeenten, geeft de Stadsregio aan wat de opgave in de regionale woningvoorraad t/m 2020 is (regionale kaders). Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de woningvoorraad binnen de gemeenten in Parkstad Limburg zich te bewegen binnen deze gestelde kaders.

Vigerende bestemmingen woningbouw, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien tenzij de locatie is opgenomen / past binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. woningbouwprogrammering).

Conclusie

In het voorliggende geval is sprake van een ontwikkeling in lijn met het 'Structuurvisiebesluit Wonen'. Er worden immers uitsluitend woningen mogelijk gemaakt die passen binnen de regionale afsprakenkaders, waarbij in de regionale woningbouwprogrammering 200 woningen voor het centrumgebied zijn opgenomen. De 158 woningen die middels het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt passen binnen deze kaders.

Wel is in de regels in paragraaf 4.4.1 verankerd dat van de 156 woningen die dit bestemmingsplan binnen de bestemming 'Wonen' mogelijk maakt, 96 woningen rechtstreeks zijn toegestaan. Voor de overige 60 woningen geldt dat deze enkel zijn toegestaan vanaf het moment dat het bevoegd gezag heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan de in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg opgenomen eis van compensatie van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering, in de verhouding 1 toe te voegen woning : 4 te schrappen woningen.

2.3.5 Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg

Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad van Heerlen de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (SVREZL) vastgesteld. In de SVREZL is voor heel Zuid-Limburg het aanbod en de verwachte vraag naar winkel-, kantoor- en bedrijfsruimte zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. De SVREZL is een uitwerking van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL), een plan voor de toekomst van Limburg op het gebied van wonen, werken, recreatie en natuur.

Zuid-Limburg heeft te maken met een toekomst waarin er een kwantitatief overschot aan winkels, kantoren en bedrijventerreinen is of dreigt. Daarnaast zijn er in alle segmenten kwalitatieve uitdagingen in het versterken van de ruimtelijke deelmarkten en het vernieuwen van de markt voor winkels, kantoren en bedrijventerreinen.

In de SVREZL staan regionale afspraken over winkel- en kantorenlocaties en bedrijventerreinen. Deze zijn nodig om de economische kracht van de regio te verstevigen, verdere leegstand tegen te gaan en de leefbaarheid en het vestigingsklimaat te verbeteren. Immers, ontwikkelingen als internetwinkelen, robotisering en ‘outsourcing’, maar ook lokale demografische veranderingen hebben de winkel-, kantoren- en bedrijventerreinenmarkt stevig veranderd.

In de SVREZL is gekozen voor behoud en versterking van de zogenaamde hoofdstructuur: de gewenste winkel-, kantoren- en bedrijventerreinlocaties. Buiten deze hoofdstructuur komen er geen nieuwe vierkante meters meer bij. Dit heeft geen gevolgen voor de zittende ondernemers, maar geldt alleen voor nieuwe plannen. Nadat de gemeenteraden akkoord zijn gegaan met de nieuwe visie, stellen ze samen concrete uitvoeringsprogramma’s op.

De kern van de structuurvisie is de versterking van de hoofdstructuur van concentratie- en balansgebieden in de drie vastgoedsegmenten (winkels, kantoren en bedrijventerreinen). Onderstaand wordt kort ingegaan op de voor het plangebied van belang zijnde functies, zijnde winkels en kantoren. Er worden in beginsel alleen toevoegingen in deze segmenten gefaciliteerd in de daartoe afgebakende concentratie- en balansgebieden. In balansgebieden gaat het om kwalitatieve versterkingen. In concentratiegebieden is in beginsel naast kwalitatieve versterking ook kwantitatieve versterking mogelijk.

Winkelgebieden

In de SVEZL is ten aanzien van winkelgebieden voor het plangebied aangegeven dat uitsluitend de strook langs de Honigmannstraat (met inbegrip van de hoeken met de Schinkelstraat en de Promenade) nog behoort tot het concentratiegebied. Daarnaast valt de Promenade binnen het zogeheten balansgebied. Voor het overige maakt het plangebied geen deel meer uit van het winkelgebied. In lijn hiermee wordt in dit bestemmingsplan uitsluitend aan de Honigmannstraat en de hoek met de Promenade detailhandel toegestaan. Voor het overige worden de in het vigerende bestemmingsplan opgenomen mogelijkheden ten aanzien van detailhandel wegbestemd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0008.png"  
Kaart winkelgebieden centrum Heerlen (geel = Balansgebied, groen = Concentratiegebied).  

Kantoren

Voor wat betreft kantoren is het plangebied in z'n geheel gelegen binnen het concentratiegebied. Binnen het plangebied wordt echter in lijn met het algemene beleid met betrekking tot het terugdringen van de planvoorraad, niet voorzien in nieuwe kantoorruimte en wordt de bestaande planvoorraad aan kantoorruimte wegbestemd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0009.png"  
Kaart kantoorbieden centrum Heerlen (geel = Balansgebied, groen = Concentratiegebied).  

Conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan is geheel in lijn met de uitgangspunten zoals omschreven in de SVREZL. Er wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de planvoorraad aan kantoorruimte en er wordt aangesloten bij het uitgangspunt dat het plangebied, met uitzondering van de zone langs de Honigmannstraat (met inbegrip van de hoek met de Promenade), geen deel meer uitmaakt van het winkelconcentratiegebied van het centrum van Heerlen.

2.3.6 Structuurvisiebesluit retail

Op 31 oktober 2011 heeft het Parkstadbestuur een structuurvisiebesluit genomen, dat ingaat op het thema retail. Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, mede gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg en de daarmee samenhangende afname van het bestedingspotentieel, is het niet gewenst om de regionale retailvoorraad nu verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan winkelvloeroppervlak niet nog verder te laten toenemen. Echter, ondanks het teruglopen van het omzetpotentieel dient er wel ruimte geboden te worden aan uitbreiding van winkelaanbod op bepaalde locaties. Door deze structuurbepalende gebieden als uitgangspunt te nemen, wordt uitval aan de onderkant van de markt in werking gezet en ontstaat er zodoende schaarste die noodzakelijk is om wenselijke ontwikkelingen ook op wenselijke locaties te laten plaatsvinden.

Geen verdere toename van de omvang van de regionale retailvoorraad betekent dat het wenselijk is dat nog beschikbare vigerende plancapaciteiten die leiden tot een toename van de regionale retailvoorraad niet per definitie moeten worden gerealiseerd en dat in voorbereiding zijnde uitbreidingen van de regionale retailvoorraad niet altijd worden omgezet in daadwerkelijke additionele plancapaciteit.

Beleidsbesluit

Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de winkelvoorraad binnen de gemeenten in Parkstad Limburg zich te bewegen binnen gestelde kaders. Vigerende bestemmingen detailhandel, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien, tenzij de locatie is opgenomen/ past binnen de regionale afsprakenkaders.

Conclusie

Binnen het plangebied worden onbenutte retailfuncties, die niet passen binnen de regionale kaders, geamoveerd. Dit geheel in lijn met het structuurvisiebesluit.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie Heerlen 2035

Op 7 juli 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Heerlen 2035 vastgesteld. Met dit planologisch instrument kan de gemeente de ruimtelijke sturing beter afstemmen op de ruimtelijke opgaven van de toekomst.

De structuurvisie is opgesteld op basis van een belangrijk kantelpunt in de historie van ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De grenzen van de groei zijn bereikt. Er is een eind gekomen aan een onafgebroken periode van vraag naar ruimte en vastgoed.
Nieuwe ontwikkelvraagstukken hebben nu vooral te maken met de vraag hoe om te gaan met bestaand vastgoed en vrijkomende ruimte. De ruimtelijke opgaven voor de toekomst hebben veel vaker betrekking op bestaand vastgoed in plaats van nieuwbouw en zullen gekenmerkt worden door termen als: flexibel, tijdelijk, duurzaam en kleinschalig. Ook de rol van de gemeente verandert. Heerlen moet de slag maken van een toetsende naar een faciliterende overheid. Niet alles zelf herontwikkelen, maar vooral ook initiatieven van ondernemers, marktpartijen en inwoners mogelijk maken, met de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze structuurvisie als uitgangspunt.

Deze transitieopgaven lopen als een rode draad door de structuurvisie. In de structuurvisie staan inhoudelijk vier thema’s centraal: Vitale stad, Centrale stad, Innovatieve stad en Verrassende stad.


Vitale stad

In het thema Vitale stad wordt een beeld geschetst van woonwijken in 2035. Aan de ene kant willen we inzetten op minder woningen, maar vooral ook op woningen met meer kwaliteit en variatie. Dus geen grootschalige uitbreidingsnieuwbouw meer, maar inzetten op het doorbreken van de eentonigheid van sommige woonbuurten. Aan de andere kant willen we goede voorzieningen blijven aanbieden. Dat kan soms betekenen dat een voorziening uit de buurt verdwijnt als het verzorgingsgebied voor die voorziening te klein wordt. In die gevallen zetten we in op het vormen van sterke voorzieningenclusters in buurten en stadsdelen.


Centrale stad

In het thema Centrale stad beschrijven we hoe we de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio kunnen versterken. Belangrijke speerpunten daarbij zijn een compact kernwinkelgebied met een compleet en gevarieerd winkelaanbod, het realiseren van een Smart Services Campus en het versterken van het stedelijk woonmilieu. Cultuur in al zijn facetten is daarbij een belangrijke bindende factor.


Innovatieve stad

In het thema Innovatieve stad geven we aan hoe we anders kunnen omgaan met stedelijke ontwikkelopgaven bij veranderende omstandigheden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed en vrijkomen van ruimte na sloop spelen daarbij een belangrijke rol. Bovendien willen we mondiale duurzaamheidsvraagstukken verbinden met lokale transitieopgaven. Heerlen heeft de ambitie om in 2040 een klimaat-neutrale stad te zijn. Dat is een stad waarin processen rond wonen, werken en leven, niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering.


Verrassende stad

In het thema Verrassende stad wordt beschreven hoe we bestaande cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten beter zichtbaar en tastbaar kunnen maken in de stad. Door het behoud van deze waarden te integreren in de lokale transitieopgaven, krijgen plekken en panden waarmee mensen zich verbonden voelen nieuwe betekenis. Het resultaat van deze transitie is een verrassende stad, waarin het “Verhaal van Heerlen” tot uitdrukking komt.

Conclusie

Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan het streven naar het versterken van de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio. Er is sprake van een aanzienlijke versterking van het stedelijk woonmilieu en daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan het streven naar een compact kernwinkelgebied, doordat de mogelijkheid voor het realiseren van detailhandel voor een groot deel van het plangebied wordt uitgesloten c.q. wegbestemd.

Verder wordt aangesloten bij het thema 'Innovatieve stad'. Er is deels sprake van hergebruik van bestaand vastgoed en voor het overgrote deel sprake van sloop waarbij deels sprake is van vervangende nieuwbouw en deels ruimte wordt geboden aan openbare ruimte en openbaar groen in het centrum van Heerlen.

2.4.2 Kantorennota Heerlen 2017

Op 28 juni 2017 heeft de gemeenteraad van Heerlen de 'Kantorennota Heerlen 2017' vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven hoe de gemeente Heerlen omgaat met de lokale kantorenmarkt en het terugdringen van het overaanbod. Onderdeel van het kantorenbeleid is het aanwijzen van de toekomstige kantoorlocaties en het herbestemmen van locaties daarbuiten.

In de nota wordt ten aanzien van het Schinkelkwadrant-Zuid aangegeven dat sprake is van 12.750 m² aan incourante voorraad. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de planvoorraad aan kantoorruimte binnen het plangebied volledig wegbestemd, één en ander ook conform het 'Uitvoeringsprogramma 2017-2020'.

Conclusie

Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt niet voorzien in extra kantoorruimte, maar wordt juist planvoorraad aan kantoorruimte (stadskantoor) uit de markt genomen, in lijn met het provinciale en gemeentelijke beleid om niet te voorzien in kwantitatieve uitbreiding van kantoorruimte, maar juist in te zetten op het terugdringen van de planvoorraad.

2.4.3 Groenbeleidsplan

Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. In dit plan is het vorige groenstructuurplan geïntegreerd.


Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Behalve een visie op de gemeentelijke groenstructuur bevat het Groenbeleidsplan ook een kader voor het groenbeheer en is er tevens een uitvoeringsprogramma aan gekoppeld. Het Groenbeleidsplan heeft als hoofddoelstelling een integrale, samenhangende en tevens duurzame groenstructuur te realiseren, die recht doet aan de identiteit en eigenheid van Heerlen als onderdeel van Parkstad Limburg en voldoende robuust van karakter is waar het gaat om behoud en verbetering van leefbaarheid en groene kwaliteit.


In de visie op de groenstructuur van de gemeente Heerlen is uitgegaan van de volgende integraal samenhangende componenten:

  • Het landschappelijke kader van Heerlen;
  • De hoofdgroenstructuur van Heerlen;
  • Steenbergen als symbool voor een grenzeloze regio;
  • Schakels tussen Heerlen en het omliggende Euregionale landschap;
  • De hoofdinfrastructuur als uithangbord voor 'park' en 'stad';
  • De historische structuur als (groene) parels in het stedelijke weefsel;
  • Stadsombouw Heerlen: robuust groen met nieuwe functies.

De hoofdgroenstructuur van Heerlen kadert de ligging van de verschillende stadsdelen in. Om een goede aansluiting te vormen op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur is per stadsdeel de gewenste ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur verder uitgewerkt.

Vervolgens is nog verder ingezoomd en is de gewenste groenstructuur in de buurten en buurtschappen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende buurttypen. De visies voor de verschillende buurttypen zijn vertaald in een gereedschapskist voor de groenstructuur per buurttype, waarin de karakteristieken en functies van de hoofd- en subgroenstructuur van een buurttype zijn vastgelegd. Onderscheid wordt gemaakt in structuurgroen en snippergroen, waarbij het uitgangspunt geldt dat snippergroen kan worden afgestoten zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte.

Heerlen-centrum

In het Groenbeleidsplan wordt aangegeven dat het stadsdeel centrum een zeer divers karakter heeft met enerzijds het centrum en de uitwaaierende lintbebouwing en anderzijds de verspreid gelegen mijnkoloniën en grootschalige woonbuurten die naadloos in elkaar overgaan. Het stadsdeel heeft een duidelijke relatie met zowel het Caumerbeekdal als het Geleenbeekdal. Ondanks dat heeft het centrum zelf een vrij stenig karakter. Verspreid over het stadsdeel liggen verschillende groengebieden en historische objecten die bepalend zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van het stadsdeel.

In de centrumvisie heeft de gemeente doelstellingen neergelegd voor de opwaardering van de openbare ruimte in het centrum in samenhang met de ontwikkeling van een representatieve groenstructuur. De doelstelling is tevens om de verbindingen vanuit het centrum met het Caumerbeekdal en het Geleenbeekdal te verbeteren. Daarnaast wordt gewerkt aan herstructurering van de buurten, zoals Meezenbroek, Schaesbergerveld en Palemig.

Voor de ontwikkeling van de groenstructuur is de doelstelling om een representatieve groenstructuur te realiseren in het centrum en de uitloopgebieden en te komen tot een duurzame relatie te komen met de stadsparken Caumerbeekdal en Geleenbeekdal door de toegankelijkheid te vergroten en de verweving van de hoofdgroenstructuur met de groenstructuur van Heerlen-centrum te versterken.

Ook wordt voorgesteld om verrassende groen-, water- en spelelementen op markante plekken in het centrum te realiseren. Met het opwaarderen van de inrichting van de openbare ruimte kan een bijdrage worden geleverd aan de kwalitatieve beeldvorming van Heerlen als centrum van Parkstad.

Conclusie

Overeenkomstig de algemene uitgangspunten van het Groenbeleidsplan, wordt het openbaar gebied in het plangebied voorzien van een groene inrichting, waarmee een kwaliteitsimpuls wordt gegeven aan het centrum in z'n algemeenheid en het plangebied in het bijzonder.

2.4.4 Structuurvisie horeca en evenementen

Op 12 maart 2003 heeft de gemeenteraad het horecabeleid vastgesteld, beschreven in de visie 'Heerlen heeft 't!'. In de Horeca- en evenementenstructuurvisie wordt aangegeven dat Heerlen de functie als centrum van Parkstad wil behouden en verder wil uitbouwen, onder andere door een sterk horeca- en evenementenaanbod.
Ten aanzien van horeca wordt gesteld dat in het centrum, waarvan het plangebied
deel uitmaakt, de bovenlokale horeca gesitueerd is. Gestreefd wordt naar concentratie, waarbij het Pancratiusplein (multifunctionele horeca) en het Wilhelminaplein (restauratieve horeca) de belangrijkste concentratiegebieden zijn. De ontwikkelingsmogelijkheden van horeca buiten de bovengenoemde, hangt sterk samen met de andere functies in de stad (winkels, vrijetijdvoorzieningen en dergelijke).

Conclusie
Het projectgebied is gelegen tussen het Theater aan het Van Grunsvenplein en het kernwinkelgebied van het centrum van Heerlen. De toevoeging van horeca tussen deze beide voorzieningen, ingepast in de nieuwe stedelijke ontwikkeling, levert een wezenlijke bijdrage de aan attractiviteit en toekomstbestendigheid van het centrum van Heerlen. De toevoeging van horecafaciliteiten is bovendien marginaal van aard en omvang en zal daarmee niet zorgen voor een geheel nieuw zelfstandig horecacluster.

2.4.5 Parkeerbeleid

Het parkeerbeleid van de gemeente Heerlen is geregeld in de 'Parkeernota Visie- en Ambitiedocument' zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 20 april 2016. Voor wat betreft parkeernormen is de op 2 november 2010 door de gemeenteraad vastgestelde 'Parkeernota Heerlen 2010' van toepassing.

In de 'Parkeernota Visie- en Ambitiedocument' wordt gesteld dat het nieuwe parkeerbeleid op hoofdlijnen dien te zorgen voor een betere afstemming tussen de vraag naar en het aanbod van parkeren, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Het anticiperen op nieuwe ontwikkelingen en het bieden van een gastvrij en klantvriendelijk parkeersysteem maken hier onderdeel van uit.

Aan de hand van de 'Parkeernota Heerlen 2010' zet de gemeente Heerlen onder meer in op een bruisend en levendig stadscentrum, aantrekkelijke leefbare woonmilieus, een goede bereikbaarheid, een krachtig ondernemersklimaat en hoogwaardig onderwijs. Het parkeerbeleid moet bijdragen aan de totstandkoming van deze speerpunten. De visie op parkeren is dan ook als volgt geformuleerd:

'Heerlen streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte.'

De parkeerbalans is in evenwicht op het moment dat de parkeerbezetting ligt tussen de 50 en de 80 procent. Per gebied kan het moment waarop deze parkeerbezetting wordt gemeten verschillen. Uitgangspunt is dat de parkeerbezetting gemeten dient te worden als de gemiddelde parkeerbehoefte het hoogst is.

Voor een optimaal parkeerbeleid is het van belang dat er sprake is van een adequaat openbaar vervoer, dat de bereikbaarheid per fiets optimaal is en (zonodig) de omliggende woonbuurten afgeschermd worden middels parkeren voor vergunninghouders.

Conclusie

In paragraaf 5.6.3 wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan parkeren binnen het plangebied. Hierbij wordt geconcludeerd dat de geactualiseerde parkeerbalans een overschot aan parkeerplaatsen in het centrum laat zien. Rekening houdend met de volledige ontwikkeling van het Schinkelkwadrant is er nog steeds sprake van een aanzienlijke overcapaciteit indien er geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd zouden worden. De aanleg van voldoende parkeerplaatsen bij de woningen is dan ook een kwaliteitsaspect en geen noodzaak op basis van kwantiteit. De beoogde ontwikkeling voldoet kortom sowieso aan de gemeentelijke beleidskaders inzake parkeren.

Hoofdstuk 3 Gebiedsbeschrijving

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van het plangebied Schinkelkwadrant-Zuid en zijn directe omgeving.

3.1 Ruimtelijke en functionele structuur

De locatie Schinkelkwadrant-Zuid is gelegen in het centrum van Heerlen en wordt omsloten door de Geerstraat, de Promenade, de Honigmannstraat en de Schinkelstraat. Op basis van de SVREZL maakt uitsluitend het deel langs de Honigmannstraat nog onderdeel uit van het concentratiegebied van het centrum van Heerlen voor winkels.

In het plangebied komen verschillende gebruiksfuncties voor, waaronder woningen, winkels en kantoren, verdeeld over diverse bouwlagen. Centraal binnen het gebied zijn enkele parkeervoorzieningen aanwezig. In de huidige situatie is sprake van veel leegstand binnen het plangebied, met name aan de zijde van de Schinkelstraat, de Promenade en het tussenliggende gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0010.png"  
Luchtfoto plangebied en directe omgeving (2017).  

Aan de noordzijde van het plangebied, ligt ingesloten tussen de Honigmannstraat, de Stationsstraat en de Saroleastraat, het Coriocenter. Ten westen van het plangebied ligt aan het Burgemeester van Grunsvenplein het Theater Heerlen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0011.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0012.png"  
Te renoveren gebouw oosthoek plangebied (het voormalige Rabobankgebouw).   Te slopen gebouw zuidzijde plangebied.  
afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0013.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0014.png"  
Te slopen gebouw zuidhoek plangebied.   Te slopen gebouw zuidhoek plangebied.
 
afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0015.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0016.png"  
Te slopen gebouw noordzijde plangebied.
 
Te slopen gebouw zuidzijde vanuit binnenplein.  
afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0017.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0018.png"  
 Gebouwen zuidzijde vanuit binnenplein.   Gebouw noordzijde vanuit binnenplein.  

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Het programmatisch kader

Algemeen

Het voornemen bestaat tot herontwikkeling van de locatie Schinkelkwadrant-Zuid in Heerlen. Dit als onderdeel van het ontwikkelingsprogramma Urban Living zoals opgenomen in het bidbook Urban Heerlen en als onderdeel van het stedenbouwkundig en landschappelijk contourenplan ‘Central Park Heerlen’.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0019.png"  
Kaart stedenbouwkundig en landschappelijk contourenplan ‘Central Park Heerlen’  

Ten aanzien van het 'Central Park Heerlen', zoals omschreven in het contourenplan, gelden onder andere de volgende uitgangspunten:

  • 1. Zichtlijnen vanaf kruising Promenade-Honigmanstraat naar Van Grunsvenplein (stadsschouwburg).
  • 2. Routes Van Grunsvenplein via zowel Promenade als via binnengebied Schinkelkwadrant-Zuid naar centrum Heerlen; direct en publiek toegankelijke doorgaande route, die gebieden op logische wijze met elkaar verbindt.
  • 3. Aandacht voor bebouwing aan Promenade als overgang naar Schinkelkwadrant-Zuid.
  • 4. Aandacht voor de plinten van de bebouwing aan de Promenade en de Geerstraat; stedelijke publiektrekkende voorzieningen op de begane grond (+ evt. 1e verdieping).
  • 5. Aandacht voor bebouwingswand Geerstraat als rand Van Grunsvenplein.
  • 6. Verbinden openbare ruimte binnengebied Schinkelkwadrant-Zuid met Promenade, Van Grunsvenplein en binnengebied Schinkelkwadrant-Noord;.
  • 7. Groene, openbare binnenruimte heeft een hoogwaardig, groen-stedelijk karakter. Minimale breedte 30 meter.
  • 8. Zoveel mogelijk handhaven voormalige Rabobank-gebouw met de verspringende volumes, de grote glaspartijen en de uitkragende balkons.

Specifiek voor het plangebied gelden verder de volgende kaders:

  • Maximaal 158 woningen (geen grondgebonden woningen).
  • De vraag naar appartementen / studio’s is groot.
  • Er is nog ruimte om in de aanloopstraten naar het centrum leegstaande winkelpanden
    te transformeren naar wonen. Géén wonen in plint voormalige Rabobankgebouw en
    Honigmannstraat.
  • Ruimte voor maximaal 1.000 m² bvo horeca, leisure en andere bedrijvigheid (geen
    detailhandel).
  • Realisatie van een icoon op de hoek Promenade en Geerstraat, bestaande uit maximaal 12 bouwlagen.

De toekomstige functies binnen het plangebied

Binnen het plangebied Schinkelkwadrant-Zuid is overeenkomstig de bovengenoemde uitgangspunten voorzien in een afronding van het kernwinkelgebied in de vorm van een woonomgeving met maximaal 158 woningen in parkachtige setting, met in beperkte mate commerciële functies. Het project 'Schinkelkwadrant-Zuid' vormt één van de speerpunten bij het realiseren van de ambities uit het bidbook om het centrum van Heerlen te versterken.

In totaal wordt maximaal 1.000 m² bvo aan commerciële functies toegestaan in de vorm van horeca, leisure en andere bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel. Uitsluitend aan de Honigmannstraat is op de begane grond nog detailhandel toegestaan. Horeca van categorie 1 tot en met 3 wordt binnen de woonbestemming uitsluitend mogelijk gemaakt op de hoek van de Geerstraat en de Promenade. De overige commerciële functies worden binnen de woonbestemming uitsluitend toegestaan aan de zijde van de Promenade, met inbegrip van het voormalige Rabobankgebouw.

Voor wat betreft de woningen geldt dat er op basis van de huidige woningbouwprogrammering 98 rechtstreeks zijn toegestaan. Voor de resterende 60 woningen geldt dat deze pas mogen worden gebouwd indien compensatie heeft plaatsgevonden door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering. Deze moet minimaal in de verhouding van 1 toe te voegen : 4 te schrappen harde plannen worden ingezet als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. Deze voorwaarden is in de regels middels een voorwaardelijke bepaling binnen de bestemming 'Wonen' verankerd.

4.2 De bebouwingsmogelijkheden

Voor wat betreft de nieuwbouw binnen het plangebied is op de onderstaande afbeelding weergegeven binnen welke vlakken (zwart omlijnd) bebouwing is toegestaan. Tevens is aangegeven wat de maximaal toegestane hoogte is en is voor de beoogde nieuwbouw het maximum aantal bouwlagen weergegeven.

Op de hoek van de Geerstraat en de Promenade is een hoogteaccent toegestaan van maximaal 12 bouwlagen met een maximale hoogte van 43 meter.

Voor de bestaande bebouwing aan de Honigmannstraat 47 en het voormalige Rabobankgebouw op de hoek van de Promenade en de Honigmannstraat, zijn de bestaande bouwhoogtes opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0020.png"  
Kaart bouwvlakken met voor de beoogde nieuwbouw de maximaal toegestane bouwhoogtes en het maximum aantal bouwlagen (rood gedrukt).  

4.3 Openbare ruimte

Voor de invulling van openbare ruimtes gelden de richtlijnen:

  • Openbaar, parkachtig binnengebied als uitloopgebied voor de omliggende woningen met interessante beplantingselementen en zit- en ligplekken.
  • Routes die door het binnengebied verbindingen leggen met de omliggende straten en gebieden; de voetganger is hier bepalend.
  • Het doorlopen van het binnengebied vanuit de omringende straten wordt bepaald door de scherpe contrasten tussen binnen en buiten, open en gesloten en sluit hiermee aan op de basisprincipes zoals die zijn toegepast bij bijvoorbeeld het Corio Center en het Maankwartier.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in het bestemmingsplan zijn ingepast.

5.1 Milieueffectrapportage

5.1.1 M.e.r.-plicht

Beoordeling directe m.e.r.-plicht

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw en in beperkte mate commerciële voorzieningen mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.


Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht)

Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 5.5 Natuurwaarden blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.

Conclusie

De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.

5.1.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen.

Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b (besluiten waarvoor het bevoegd gezag een beslissing dient te nemen inzake de noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport), dient zij in een zo vroeg mogelijk stadium en uiterlijk voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit deze beslissing te nemen (artikel 7.19, lid 1 en 2 Wm).


De achterliggende gedachte bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.


In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel):

  • De kenmerken van het project;
  • De plaats van het project;
  • De kenmerken van het potentiële effect.

Kenmerken van het project  
- Omvang van het project
- Cumulatie met andere projecten
- Gebruik van natuurlijke grondstoffen
- Productie van afvalstoffen
- Verontreiniging en hinder
- Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën  
Plaats van het project  
- Bestaand grondgebruik
- Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
- Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang  
Kenmerken van het potentiële effect  
- Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
- Grensoverschrijdende karakter van het effect
- Waarschijnlijkheid van het effect
- Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect  
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.  

Omdat het plan voorziet in de bouw van woningen en commerciële voorzieningen, maar ruimschoots onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D.11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan.

Kenmerken van het project

Criteria   Toets  
Omvang van het project   Het project heeft betrekking op de realisering van maximaal 158 woningen en maximaal 1.000 m² bvo aan commerciële voorzieningen.  
Cumulatie met andere projecten   Nee  
Gebruik van natuurlijke grondstoffen   Nee  
Productie van afvalstoffen   Nee  
Verontreiniging en hinder   De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de sloop- en aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot onevenredige verontreiniging of hinder voor het milieu. Zie hiervoor mede paragraaf 5.2 Akoestiek en 5.7 Luchtkwaliteit in deze toelichting.  
Risico van ongevallen   Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren 10-6 van risicobronnen en er wordt geen significante invloed uitgeoefend op het groepsrisico van risicobronnen.  

Conclusie: Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.

Plaats van het object

Criteria   Toets  
Bestaand grondgebruik   Grotendeels bebouwd ten behoeve van stedelijke functies, waarbij in het overgrote deel van de te slopen bebouwing sprake is van leegstand.  
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
regeneratievermogen van de natuurlijke
hulpbronnen van het gebied  
n.v.t.  
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:    
- gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)   Nee  
- gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden   Nee  
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid   Nee  
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang   Nee  

Conclusie: Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.)

Gevoelig gebied   Toets  
Beschermd natuurmonument   Nee  
Habitat en vogelrichtlijngebieden   Nee  
Watergebied van internationale
betekenis  
Nee  
EHS   Nee  
Landschappelijk waardevol gebied   Nee  
Waterwinlocaties, waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden   Nee  
Beschermd monument   Nee  
Belvédère-gebied   Nee  

Conclusie: Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.

Kenmerken van het potentiele effect

Criteria   Toets  
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)   Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking  
Grensoverschrijdende karakter van het effect   Nee
 
Waarschijnlijkheid van het effect   Geen effecten te verwachten  
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
van het effect  
Geen effecten te verwachten  
5.1.3 Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling

De beoogde ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde 'drempelwaarden' bij lange na niet worden overschreden.

Omdat de activiteiten wel worden genoemd in één van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, is voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd.

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met:

1. De kenmerken van het project;

2. De plaats van het project; en

3. De kenmerken van het potentiële effect;

sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

5.2 Akoestiek

De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).

5.2.1 Onderzoek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen. Onderstaand wordt achtereenvolgens ingegaan op de onderzoeksresultaten in relatie tot wegverkeerslawaai, verkeersaantrekkende werking, expeditie en evenementen.

Verkeerslawaai

  • Vanwege wegverkeerslawaai van de Geerstraat, Schinkelstraat, Honigmanstraat en de stadsautoweg N281 zijn ter plaatse van de gevels van woonbestemmingen overschrijdingen vastgesteld van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
  • De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor de binnenstedelijke wegen en 53 dB voor de stadsautoweg N281 wordt niet overschreden.
  • Bij de gemeente Heerlen dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare
    waarde te worden ingediend.
  • Indien dit verzoek wordt ingewilligd, worden eisen gesteld aan de optredende geluidbelasting in de woning, deze mag niet meer bedragen dan 33 dB. In bijlage IIb van het akoestisch onderzoek is een overzicht opgenomen van de minimaal vereiste geluidwering van de gevels binnen het nieuwbouwplan.

Verkeersaantrekkende werking

  • Vanwege de verkeersaantrekkende werking is bij de geluidgevoelige bestemmingen langs de Schinkelstraat en de Honigmanstraat een toename van de gevelbelasting bepaald van maximaal 4 dB.
  • In het kader van de Wet geluidhinder zijn geen regels opgenomen om deze toename ongedaan te maken.
  • Indien de wegverharding en/of de maximum snelheid wordt verlaagd van 50 km/h naar
    30 km/h kan een redelijke geluidreductie worden gerealiseerd.


Expeditie

  • De piekbelasting vanwege laad- en losactiviteiten van de expeditie in de buitenlucht levert hoge belastingen op. In de avond- en nachtperiode zullen de belastingen hoger zijn dan de vergunbare geluidgrenswaarden. Dergelijke activiteiten zijn in de avond- en de nachtperiode niet toegestaan. Daarmee vormt de expeditie geen belemmering.

Evenementen

  • Vanwege de evenementen op het Burgemeester van Grunsvenplein, Promenade 1 en 2 worden in de evenementenvergunning eisen gesteld aan de maximale geluidbelastingen op de gevels van geluidgevoelige objecten. Hiermee is in het verleden een afweging gemaakt van de toelaatbare geluidniveaus.
  • De nieuwe woningen binnen het programma Schinkelkwadrant-Zuid zijn gelegen nabij bestaande geluidgevoelige objecten. Daarmee vormen de evenementen geen belemmering voor de nieuwe woningen binnen het plangebied.

Conclusie

Met inachtneming van de bovengenoemde voorwaarden bestaan er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.3 Water

In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat.

5.3.1 Europees en Rijksbeleid

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen.

Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 27 november 2009 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2015. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen.


Waterwet

De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.

Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden.


Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets

De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder.


Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water

Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.


Nationaal Bestuursakkoord Water

Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord.

Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn:

  • het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken;
  • verbetering van de waterkwaliteit.
5.3.2 Regionaal en gemeentelijk beleid

Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021

Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die in de periode 2016-2021 worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasval-lei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water.

Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én is een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het is een uitwerking en verdere detaillering van het regionale waterbeleid in het POL2014. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid, waarbij wordt ingezet op de volgende inhoudelijke opgaven voor het regionale waterbeleid:

  • Een veilige en aantrekkelijke Maasvallei;
  • Een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem;
  • Behoud en herstel natte natuur en verbetering waterkwaliteit;
  • Duurzame drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer.

Bij de verdere ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten bij de bovengenoemde algemene uitgangspunten. Er is verder geen sprake van strijdigheid met het Provinciaal Waterplan 2016-2021.

Waterbeheersplan 2016-2021

Met het Waterbeheerplan 2016-2021 zet het Waterschap Limburg de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water.


In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Uitgangspunten hemelwatervoorzieningen Waterschap Limburg

Ten aanzien van infiltratievoorzieningen hanteert het Waterschap Limburg als uitgangspunt dat hemelwaterbergende voorzieningen gedimensioneerd dienen te worden op een bui van T=25 (35 mm in 45 minuten). Tevens dienen de gevolgen van bui van T=100 (45 mm in 30 minuten) inzichtelijk te worden gemaakt en mogen de watereffecten van een dergelijke bui niet tot overlast leiden. In situaties waar echter geen goede noodoverloopvoorzieningen aangelegd kunnen worden pleit het waterschap voor de aanleg van een robuust systeem op basis van de extreme T=100 bui. De maximale leegloop/ herbeschikbaarheid van de bergende en infiltrerende voorziening(en) bedraagt 24 uur.


Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020

De gemeenteraad van Heerlen heeft op 20 oktober 2015 het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vastgesteld. Hierin staan maatregelen die ervoor zorgen dat het rioolstelsel, grondwater en oppervlaktewater (vijvers) in de toekomst goed blijven functioneren. Maatregelen zoals bijvoorbeeld het herinrichten van de visvijvers, het weer herinrichten van de Caumerbeek en maatregelen die voorkomen dat tijdens regenval te veel verdund rioolwater in de beken terecht komt.

Ten aanzien van afvalwater is bepaald dat alle percelen binnen het gemeentelijke grondgebied waar afvalwater vrijkomt, moeten zijn voorzien van een aansluiting op de riolering. Binnen de bebouwde kom worden vrij vervalstelsels aangelegd, waarbij de vuiluitworp naar het oppervlaktewater (overstorten) tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Ten aanzien van hemelwater geldt als uitgangspunt dat bui 08 (20 millimeter neerslag in 60 minuten) niet tot water op straat zal leiden, tenzij hier de openbare ruimte op is ingericht. De oppervlakkige infrastructuur van de openbare ruimte is voorbereid op de afvoer van extreme neerslaggebeurtenissen door het voorkomen van “zakken” in het lengteprofiel. Op locaties waar dit niet kan wordt ernaar gestreefd bui 10 (35,7 millimeter neerslag in 60 minuten) onder de deksel te houden.

Hinder (bij bui 8) wordt niet geaccepteerd. Overlast (bij bui 10) moet zo veel mogelijk worden vermeden. Op locaties waar regelmatig overlast of hinder voorkomt, zal de gemeente waar mogelijk maatregelen treffen om deze problemen tegen te gaan.

5.3.3 Plangebied

De bovengenoemde uitgangspunten zijn ook voor het plangebied van toepassing. Er bestaat op dit moment geen duidelijk beeld van de k-waarde (bodemdoorlatendheid) in het plangebied. Aanvullend bodemonderzoek/infiltratieonderzoek in een later stadium (na sloop van de huidige bebouwing) zal hierover uitsluitsel geven.

In het voorliggende bestemmingsplan wordt een kader gecreëerd voor de toekomstige functies. De exacte wijze waarop met afval- en hemelwater wordt omgegaan zal worden uitgewerkt in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen, waarbij de bovengenoemde uitgangspunten als toetsingskader zullen worden gehanteerd. Bij de inrichting van het openbaar gebied zal rekening worden gehouden met de aanleg van de benodigde infiltratievoorzieningen.

5.4 Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie.

5.4.1 Beleidskader

Bodembeleidsplan

Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Bij het actualiseren van bestemmingsplannen wordt de bestaande functie veelal gehandhaafd. Dan vindt geen grondverzet plaats en worden geen saneringen opgestart. Bij de actualisatie van een bestemmingsplan, zoals in onderhavige procedure, vinden geen functiewijzigingen plaats. Hierbij kan volstaan worden met een globale toets, bijvoorbeeld middels de bodemkwaliteitskaart. Bij latere ontwikkelingen in deze gebieden zal in het kader van bouwactiviteit mogelijk een bodemonderzoek moeten plaatsvinden. Als toelichting hierop wordt nog vermeld dat bij geconstateerde knelpunten in een actualiserend bestemmingsplan aangegeven moet worden hoe hiermee om te gaan, niet alle knelpunten hoeven dus uitputtend vermeld te zijn.

Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0021.png"  
Homogene deelgebiedenkaart.  

Deelgebied   Bovengrond   Ondergrond  
1 Agrarisch en natuur   <AW   <AW  
2 Woonwijken   <AW   Industrie  
3 Industrie   <AW   <AW  
4 Mijnsteengebieden   Wonen   Wonen  
AW   = Achtergrondwaarde    
Wonen   = Maximale waarde klasse Wonen    
Industrie   = Maximale waarde klasse Industrie    

Het plangebied is gelegen in deelgebied Woonwijken.

5.4.2 Plangebied

Om de kwaliteit van de bodem in beeld te brengen is voor het plangebied het volgende bodemonderzoek uitgevoerd:

  • Vooronderzoek bodem voor de locatie Schinkelkwadrant omsloten door de Schinkelstraat - Honigmannstraat - Promenade - Geerstraat te Heerlen, opgesteld door gemeente Heerlen en gedateerd 12 maart 2018, projectnummer HL091704885.


De rapportage van het bodemonderzoek is als Bijlage 4 opgenomen bij deze toelichting. Onderstaand worden de conclusies kort samengevat. Op grond van het vooronderzoek en inspectie ter plaatse is de navolgende hypothese gesteld: De onderzoekslocatie kan als een onverdacht terrein met een verdachte deellocatie beschouwd worden. De verdachte deellocatie betreft het terreindeel grenzend aan de voormalige chemische wasserij ter plaatse van Promenade 16-26.
Dit betekent dat een verkennend bodemonderzoek conform de NEN-5740 moet worden uitgevoerd. Er is geen freatisch grondwater te verwachten binnen 5,0 m-mv. Normaliter kan het plaatsen van een peilbuis dan achterwege blijven. Echter, omdat de mogelijkheid binnen het plangebied wordt opengehouden om eventueel ondergronds een parkeerkelder te realiseren (uitsluitend onder toekomstige gebouwen), wordt aangeraden om peilbuizen te plaatsen. Als de plannen definitief bekend zijn zal dit opnieuw worden beoordeeld.


Ten aanzien van de hypothese asbestverdacht dient tevens een verkennend onderzoek conform de NEN-5707 (inclusief maaiveldinspectie asbest) verricht te worden.


Conclusie

Voor wat betreft de bestemmingsplanprocedure is de bodemkwaliteit middels het vooronderzoek afdoende in beeld gebracht. Na sloop van de bestaande bebouwing zal vervolgonderzoek moeten plaatsvinden. In het vooronderzoek is een onderzoeksvoorstel opgenomen voor de benodigde vervolgstappen in de vorm van een verkennend bodemonderzoek conform NEN-5740 en een asbestonderzoek conform NEN-5707.

5.5 Natuurwaarden

5.5.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en de Wet natuurbescherming

De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.


In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Wet natuurbescherming. De Minister van Economie, Landbouw & Innovatie (EL&I) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.

5.5.2 Soortenbescherming: Wet natuurbescherming

Het soortenbeleid uit de Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming. Deze wet kent een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Dat betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn (nalaten tot) handelen nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige natuurwaarden, verplicht is dit achterwege te laten. Men dient alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden verwacht om nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.


Verder dient in geval van een voorgenomen ingreep tijdig vooraf te worden nagegaan of zich (mogelijk) strenger beschermde soorten in het gebied bevinden, of en welk effect de ingreep heeft op deze soorten, of mitigerende danwel compenserende maatregelen moeten worden genomen en of bij de provincie Limburg ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd.

5.5.3 Quickscan flora en fauna

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 5 is opgenomen bij deze toelichting.

Op basis van de uitgevoerde quickscan kan worden gesteld dat de potentiele ecologische waarden ongewijzigd zijn gebleven in vergelijking met de eerdere onderzoeken op basis waarvan een ontheffing is verleend van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft het verstoren van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) met het kenmerk FF/75c/2013/0100 voor het tijdvak 1 oktober 2013 tot en met 30 september 2018.

De voorgenomen plannen kunnen in overeenstemming met de huidige nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, en de voorschriften uit de ontheffing in acht te worden genomen.

  • De maatregelen, zoals genoemd in hoofdstuk 4 van het bij de ontheffingsaanvraag gevoegde rapport "Mitigatieplan beschermde soorten Schinkelkwadrant-Zuid, Heerlen" van 22 oktober 2012 dienen te worden uitgevoerd;
  • Om overtreding ten aanzien van de steenmarter op voorhand te voorkomen wordt geadviseerd om in de provinciaal vrijgestelde periode van deze soort te werken (15 augustus t/m februari) of een inpandige inspectie dient de aanwezigheid uit te sluiten;
  • Om overtreding ten aanzien van broedvogels redelijkerwijs te voorkomen wordt geadviseerd de (sloop)werkzaamheden ter plaatse van nestgelegenheden buiten het globale broedseizoen uit te voeren, of een controle moet de aanwezigheid van broedgevallen kunnen uitsluiten;
  • Ten aanzien van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

Daarnaast is in de regels een voorwaardelijke bepaling opgenomen, waarmee verzekerd is dat de toekomstige nieuwbouw geen significante toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden zal veroorzaken (zie paragraaf voor meer informatie paragraaf 5.5.4). Toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan niet aan de orde. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde gebieden zullen niet worden aangetast.

5.5.4 Onderzoek stikstofdepositie

Door Econsultancy is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Onderstaand worden de onderzoeksresultaten samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 6 is opgenomen bij deze toelichting.

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Geleenbeekdal’ ligt op circa 500 meter afstand het meest nabij het plangebied. In de directe omgeving binnen 5 km afstand liggen tevens de Natura 2000-gebieden ‘Kunderberg’ en ‘Brunssummerheide’.

Met de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) dient voor het plan met het programma Aerius Calculator het projecteffect van het plan te worden bepaald. Afhankelijk van de hoogte van het projecteffect kan eventueel een melding of vergunning en nader onderzoek noodzakelijk zijn:

  • voor een effect = 0,05 mol/ha/jaar is geen melding of vergunning benodigd;
  • voor een effect = grenswaarde geldt een meldingsplicht;
  • voor een effect > grenswaarde geldt een vergunningsplicht.


De grenswaarde bedraagt in beginsel 1,00 mol/ha/jaar. Indien voor een stikstofgevoelig habitat in een Natura 2000-gebied 5% of minder van de depositieruimte beschikbaar is, wordt de grenswaarde verlaagd naar 0,05 mol/ha/jaar. Alleen voor het in de omgeving gelegen Natura 2000-gebied ‘Geleenbeekdal’ is sprake van een verlaagde grenswaarde.


In het onderzoek is rekening gehouden met het worstcase scenario met zowel 158 woningen als 1.000 m² bvo commerciële voorzieningen. De mogelijk relevante emissies van stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3) vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan en het gasverbruik. Om het projecteffect inzichtelijk te maken wordt in het onderzoek als worstcase scenario alleen de emissie van de beoogde situatie meegenomen, met eventuele aanwezige emissiebronnen in de huidige situatie is geen rekening gehouden.

De berekeningen voor peiljaar 2018 zijn verricht met behulp van het programma Aerius Calculator versie 2016L. Uit de berekeningen blijkt dat bij een maximale invulling van het plan met het projecteffect van 0,09 mol/ha/jaar op het Geleenbeekdal voor de beoogde situatie een overschrijding van de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar optreedt. Op de overige Natura 2000-gebieden is geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarde. Vanwege het overschrijden van de grenswaarde is zonder aanvullende maatregelen voor het project een vergunning benodigd.

Een mogelijke maatregel om de stikstofdepositie op het Geleenbeekdal te verminderen is het niet aansluiten van de toekomstige bebouwing op het gasnet. Uit de berekening van de maatregelvariant blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden en/of de vogelrichtlijngebieden in dat geval minder dan 0,05 mol/ha/jaar bedraagt. Bij een dergelijke projectbijdrage is geen melding of vergunning benodigd voor het plan.

Verder blijkt dat alleen het gasloos maken van de woningen óf de 1.000m² bvo niet volstaat. De 158 woningen emitteren (175 kg/jaar), ongeveer evenveel als de 1.000m² bvo (162 kg/jaar). Het is dus noodzakelijk om zowel de woningen als de 1.000m² bvo niet aan te sluiten op het gasnet.

Het omslagpunt van een bijdrage boven de drempelwaarde van 0,05 mol ligt bij een totale emissie van de woningen en de 1.000m² bvo op circa 130 kg/jaar. Het wel op het gasnet aansluiten van bijvoorbeeld de 2 toegestane woningen aan de Honigmanstraat 47 en de 6 toegestane woningen ter plaatse van het voormalige Rabobankgebouw is dus ruim mogelijk (emissie van circa 15 kg/jaar).

Geconcludeerd wordt dat er, zolang er geen sprake is van een relevante emissie door gasverbruik, voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor het vaststellen en realiseren van het plan.

Gelet op de huidige situatie omtrent de aardgas in Nederland, het voornemen van Bouwend Nederland om voor nieuwbouw te voorzien in duurzame energievormen en de ambitie tot verduurzaming van de gemeente Heerlen, zal voor de beoogde nieuwbouw worden aangesloten bij het bovengenoemde uitgangspunt dat niet wordt voorzien in een aansluiting op het aardgasnet. Hiermee is de ontwikkeling passend in relatie tot de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Om dit zeker te stellen is in artikel 4.4.4 van de regels een bepaling opgenomen op basis waarvan het het gebruik van de tot 'Wonen' bestemde gronden en bebouwing slechts is toegestaan indien dit ten opzichte van de bestaande situatie niet leidt tot een toename stikstofdepositie vanaf het plangebied op de maatgevende voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. In deze bepaling is verder opgenomen dat deze regeling niet geldt indien het gebruik van de tot 'Wonen' bestemde gronden en bebouwing afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen, niet leidt tot een zodanige toename van de stikstofdepositie op de maatgevende voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden dat deze, in de periode waarvoor het Programma Aanpak Stikstof als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit natuurbescherming geldt, de grenswaarde overschrijdt zoals vastgesteld in artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming. In dit geval betekent dit dat op het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal voor de beoogde situatie geen overschrijding van de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar mag optreden. Door de nieuwbouw niet aan te sluiten op het aardgasnet kan hieraan voldaan worden.

5.5.5 Conclusie

Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen.

5.6 Verkeer en parkeren

Door de gemeente Heerlen is een verkeerskundige notitie opgesteld waarin nader is ingegaan op de verkeersgeneratie van het plan, de ontsluiting van de functies en de parkeerbehoefte. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit de notitie. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige notitie die als Bijlage 7 is opgenomen bij deze toelichting.

5.6.1 Verkeersgeneratie

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool van het CROW. Deze is gebaseerd op de landelijk gehanteerde kencijfers. De maatgevende dag voor woningen is hierbij de maximale waarde. De verkeersgeneratie voor de maximaal 158 woningen bedraagt op een maatgevende dag circa 645 mvt/etmaal. Op een gemiddelde weekdag bedraagt de verkeersgeneratie voor de woningen circa 613 mvt/etmaal.

Voor de bepaling van verkeersgeneratie van de 1.000 m² BVO horeca/leisure wordt gerekend met een algemene gecombineerde binnenstadsfunctie op gebied van detailhandel. Hoewel dit ogenschijnlijk niet overeenkomt met de beoogde functies geeft dit bij benadering de beste inschatting van de verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie voor de maatgevende dag bedraagt voor deze functies ca. 444 mvt/etmaal. Op een gemiddelde weekdag bedraagt de verkeersgeneratie voor de commerciële functies circa 276 mvt/etmaal.

De verkeersgeneratie voor ontwikkeling als geheel bedraagt op de maatgevende dag circa 1.089 (645 + 444) mvt/etmaal. Op een gemiddelde weekdag bedraagt de verkeersgeneratie voor de totale ontwikkeling circa 889 (613 + 276) mvt/etmaal.

5.6.2 Ontsluiting

Ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Honigmannstraat - Schinkelstraat. De Schinkelstraat is op dit moment een eenrichtingsstraat, bewoners en bezoekers dienen (in geval van aanleg eigen parkeervoorzieningen) altijd via de Honigmannstraat te rijden.

5.6.3 Parkeren

Op basis van het programma bedraagt de parkeerbehoefte voor de maximaal 158 woningen in totaal 237 parkeerplaatsen, uitgaande van een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning. Deze parkeerplaatsen dienen in principe op eigen terrein te worden gerealiseerd. De geactualiseerde parkeerbalans laat een overschot aan parkeerplaatsen in het centrum zien. Rekening houdend met de volledige ontwikkeling van het Schinkelkwadrant is er nog steeds sprake van een aanzienlijke overcapaciteit indien er geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd zouden worden. De aanleg van voldoende parkeerplaatsen bij de woningen is dan ook een kwaliteitsaspect en geen noodzaak op basis van kwantiteit.

Voor fietsparkeren dient per appartement gerekend te worden met stallingsmogelijkheden ter grootte van 2 fietsen, waarbij het fietsparkeren inpandig dient plaats te vinden.


Voor de maximaal 1.000 m² bvo horeca, leisure, anders dan detailhandel, geldt in het centrum een algehele vrijstelling voor alle vormen van horeca en voor winkels kleiner dan 1.500 m². In principe hoeft voor deze 1.000 m² BVO dus geen parkeerbehoefte te worden bepaald. Voor dienstverlening en leisure is deze vrijstelling niet opgenomen. Op basis van een worst-case scenario zou dan een extra parkeervraag bestaan van 85 pp: 100 pp zwaarste norm leisure (overdekte hal/binnenspeeltuin)- 15pp (10 woningen).


De maximale parkeerbehoefte voor de ontwikkeling bedraagt derhalve 322 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen dienen in beginsel op eigen terrein te worden gerealiseerd.

Indien noodzakelijk gebleken, kan conform bijlage 3 van de Parkeernota Heerlen 2010, indien er op eigen terrein onvoldoende ruimte is of wanneer het financieel niet haalbaar is om een toereikende parkeervoorziening te realiseren, worden uitgeweken naar de (semi-)openbare ruimte. Dit vraagt een nadere afweging van het gemeentebestuur om deze ontheffing te verlenen.

De geactualiseerde parkeerbalans laat een overschot aan parkeerplaatsen in het centrum zien. Rekening houdend met de volledige ontwikkeling van het Schinkelkwadrant is er nog steeds sprake van een aanzienlijke overcapaciteit. Het verlenen van een eventuele ontheffing is derhalve haalbaar.


Parkeren op maaiveldniveau binnen het projectgebied wordt vanwege ruimtelijke motieven niet wenselijk geacht. Dit zou de ruimtelijke en groene kwaliteiten van het binnengebied te zeer verstoren. Daarnaast wordt parkeren enkel onder de gebouwen toegestaan. Parkeren onder de openbare ruimte wordt mede vanwege infiltratie eisen ten behoeve van hemelwater niet wenselijk geacht.

In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen zal het concrete programma worden getoetst aan de gemeentelijke parkeernormen. De voorwaarden hiervoor zijn verankerd in Artikel 8, lid 8.2 van de regels.

5.7 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). De volgende besluiten en regelingen hangen daarmee samen:

  • Besluit gevoelige bestemmingen;
  • Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM);
  • Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM).


Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.

5.7.1 Besluit gevoelige bestemmingen

Conform artikel 5.16a van de 'Wet luchtkwaliteit' kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen opgesteld. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen.


Binnen het plangebied is voorzien in een afronding van het kernwinkelgebied in de vorm van een woonomgeving met maximaal 158 woningen in parkachtige setting, met in beperkte mate commerciële functies. In totaal wordt maximaal 1.000 m² bvo aan commerciële functies toegestaan in de vorm van horeca, leisure en andere bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel. Voor de 1.000 m² bvo aan commerciële functies geldt verder dat deze uitsluitend zijn toegestaan indien hiervoor woningen worden ingeruild, waarbij per 100 m² aan commerciële functies 1 woning op het toegestane totale aantal in mindering dient te worden gebracht. Bij volledige invulling van de 1.000 m² bvo aan commerciële functies zijn dus maximaal 148 woningen toegestaan van de maximale 158.

5.7.2 Niet in betekenende mate (NIBM)

In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit moet gemotiveerd worden door het bevoegd gezag (gemeente).


Middels onderhavig bestemmingsplan worden maximaal 158 woningen en 1.000 m² commerciële voorzieningen mogelijk gemaakt. Voor de woningen geldt dat deze in principe vallen binnen de lijst met categorieën van gevallen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Desondanks is voor de ontwikkeling als geheel, dus voor de maximaal 158 woningen en de 1.000 m² bvo aan overige functies de bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is gebruikt gemaakt van de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu. In deze tool dient het extra aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie te worden ingevoerd, waarbij dient te worden uitgegaan van het weekdaggemiddelde.

Om de generatie van verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW, oktober 2012), zoals beschreven in paragraaf 5.6. Volgens deze publicatie leiden 158 woningen tot een (weekgemiddelde) verkeersgeneratie van 613 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De 1.000 m² bvo aan overige functies leidt tot een (weekgemiddelde) verkeersgeneratie van 276 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In totaal komt dit neer op 889 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor het vrachtverkeer is in overleg met de gemeente bepaald dat het aandeel zwaar vrachtverkeer ca. 0,7% van het totaal aantal verkeersbewegingen betreft en middelzwaar vrachtverkeer ca. 3,8% van het totaal. In de NIMB-berekening is daarom uitgegaan van een worstcase scenario van het vrachtverkeer van 4,5 %. Bij doorrekening middels de NIBM-tool wordt het volgende resultaat gegenereerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030505W000003-0301_0022.png"  


Uit deze berekening kan worden geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer leveren derhalve geen beperkingen op voor de ontwikkeling.

5.7.3 Conclusie

Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit overschreden.

5.8 Externe veiligheid

5.8.1 Landelijk beleidskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.


In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.


De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet.


Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.


Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico.


Verantwoordingsplicht groepsrisico

Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.

Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels.

De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld.

Externe veiligheid inrichtingen

Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Ter uitvoering van het Bevi geldt de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi). Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor zogenaamde categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen.


Externe veiligheid buisleidingen

Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de 'Regeling externe veiligheid buisleidingen' (Revi). De toetsingssystematiek uit het Bevi wordt ook toegepast bij buisleidingen.


Externe veiligheid transport

Het beleid voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, via het spoor en via het water staat beschreven in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hierin is het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' verankerd. Het primaire doel van dit Basisnet is het creëren van een plafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. Aan de hand van deze maximale vervoerstromen van gevaarlijke stoffen kunnen de externe veiligheidsrisico's worden bepaald.

5.8.2 Gemeentelijk beleidskader

In de nota 'Beleid externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot een gebiedsgerichte aanpak van externe veiligheid en het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen.

Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moet worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden.

In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren. De invloedsgebieden van de risicobronnen zijn op kaarten weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van dit onderzoek: 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening, Adviesgroep AVIV, 26 november 2014'. In het vervolg van deze paragraaf is gebruik gemaakt van de informatie uit dit onderzoek.

5.8.3 Beoordeling plaatsgebonden risico

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en de omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico voor externe veiligheid staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.8.4 Beoordeling groepsrisico

Spoorlijn

Het plangebied ligt op meer dan 250 meter van de spoorlijn van de spoorlijn Kerkrade - Sittard - Geleen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 blijft binnen het spoortracé en van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) is geen sprake.

De 100% letaliteitscontour ligt op 100 meter van de spoorlijn. Deze afstand geldt voor een koude BLEVE (door mechanische impact). Over het baanvak vindt enkel transport van brandbaar gas plaats. Een warme BLEVE (door verhitting of warmtestraling) wordt dan uitgesloten.

Op basis van het bovengenoemde rapport van AVIV ligt het plangebied verder net binnen het globaal aangeven invloedsgebied en geldt ter hoogte van het plangebied dat het groepsrisico tussen de 0,1 en 1 keer de oriëntatiewaarde ligt. Op basis van de in het Basisnet aangegeven transporten op dit spoorvak geldt volgens de in het Basisnet gehanteerde systematiek een invloedsgebied van maximaal 460 meter. Het plangebied ligt binnen dit gebied. Gelet op de tussenliggende afstand zal echter geen significante invloed worden uitgeoefend op het groepsrisico.

Aangezien sprake is van een ligging op meer dan 200 meter van de spoorlijn, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Wegen

De dichtstbijzijnde weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de N281, op circa 400 meter ten zuidwesten van het plangebied. Volgens de telgegevens van Rijkswaterstaat vinden over de weg transporten met brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2) en brandbare gassen (GF3) plaats. De stof GF3 heeft hierbij de grootste 1% letaliteitsafstand, zijnde 355 meter. De N-weg is op méér dan 355 meter afstand tot het plangebied gesitueerd en het plangebied ligt dan ook buiten het invloedsgebied van de N281. Aangezien het plangebied zich buiten het invloedsgebied bevindt, is deze bron niet relevant voor het plangebied vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Ook op basis van het bovengenoemde rapport van AVIV blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied ligt van wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De ligging ten opzichte van dergelijke wegen vormt kortom geen belemmering.

Buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse buisleidingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt. Vanuit dit kader bestaan er dus geen belemmeringen.

Verantwoording groepsrisico

Aangezien sprake is van een ligging op meer dan 200 meter van de spoorlijn Kerkrade - Sittard - Geleen, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op:

  • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, en
  • De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet.

In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven:

Aspect   Verantwoording  
De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.   Voor wat betreft de transportroute zijn gelet op de tussenliggende afstand en de vervoerde stoffen, uitsluitend risico's in verband met brandbare gassen relevant.

De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen op het spoortraject is, mede als gevolg van de tussenliggende afstand en de tussenliggende bebouwing, zeer klein. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen vanuit meerdere richtingen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.  
De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de transportroute een ramp voordoet (zelfredzaamheid).   Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten. In dit geval zijn uitsluitend calamiteiten met brandbare gassen (BLEVE) relevant.


Bnnen het invloedsgebied van een BLEVE is vluchten in principe het uitgangspunt, waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

Voor blootstelling aan brandbare gassen biedt gelet op de tussenliggende afstand en tussenliggende bebouwing 'schuilen' in combinatie met het sluiten van ramen en deuren andere vorm van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken.

In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering daarom van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.  

Conclusie

Gelet op het feit dat het plangebied op grote afstand van omliggende risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen ligt en er invulling is gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico, bestaan er vanuit het kader van externe veiligheid geen directe belemmeringen.

5.8.5 Advies Veiligheidsregio

Als onderdeel van de Veiligheidsregio beoordeelt de brandweer de bereikbaarheid van het plangebied en de daaraan verbonden objecten of inrichtingen. Dit doet de brandweer aan de hand van de 'Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid'. Er wordt specifieke aandacht gevraagd voor de hoofdaanrijroutes en de wijkontsluitingswegen van de brandweer. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen planregels opgenomen worden die aanvullende eisen stellen aan de bluswatervoorziening en/of bereikbaarheid.


Ook maakt de brandweer een inschatting van de risico's binnen het zogenaamde effectgebied. Het effectgebied wijkt af van het invloedsgebied. Het effectgebied is het gebied waar de effecten van de calamiteit merkbaar zijn, exclusief het gebied van de risicobron (brongebied). Het effectgebied is in de regel groter dan het invloedsgebied. Echter, bij de verantwoording van het groepsrisico speelt het effectgebied, in tegenstelling tot het invloedsgebied, formeel geen rol. Niettemin worden door de brandweer wel maatregelen voorgesteld om de effecten van een calamiteit binnen het effectgebied te beperken. Het is aan de gemeente om te bepalen in hoeverre hiermee redelijkerwijs rekening kan worden gehouden bij de ruimtelijke planvorming.


Advies Brandweer Zuid-Limburg

Door de Brandweer Zuid-Limburg is aangegeven dat een mogelijk incident met vervoer van brandbare gassen over het spoortraject niet zal leiden tot onherstelbare schade of slachtoffers in het plangebied. Een mogelijke drukgolf als gevolg van een BLEVE zal worden opgevangen door tussenliggende bebouwing tussen spoor en plangebied. De hittestraling die hierbij vrijkomt is op deze afstand zodanig afgezwakt dat er geen secundaire branden of onherstelbare schade aan het gebouw zal ontstaan. De Brandweer Zuid-Limburg ziet derhalve geen aanleiding om aanvullend advies te geven over het bestemmingsplan.

5.8.6 Conclusie

Bij de totstandkoming van bestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Zuid 2018' is op voldoende wijze rekening gehouden met de externe veiligheid. De vaststelling van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.

5.9 Technische infrastructuur

Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die een planologische belemmering vormen voor de verdere planontwikkeling of waarvoor een planologische beschermingszone dient te worden opgenomen in het bestemmingsplan. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.10 Bedrijfshinder

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Scheiding van functies versus functiemenging

Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.


Richtafstandenlijsten 

De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).


Twee omgevingstypen

De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functieschei-ding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.


Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10   m   0   m  
2   30   m   10   m  
3.1   50   m   30   m  
3.2   100   m   50   m  
4.1   200   m   100   m  
4.2   300   m   200   m  
5.1   500   m   300   m  
5.2   700   m   500   m  
5.3   1.000   m   700   m  
6   1.500   m   1.000   m  

De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding.


Binnen gemengde gebieden - hier aangeduid als gebieden met functiemenging - heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

Gemengd gebied versus gebied met functiemenging
In de VNG-publicatie wordt het begrip 'gemengd gebied' gebruikt om richtafstanden aan te geven tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca, kleine bedrijvigheid). Het begrip 'gebied met functiemenging' wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn.  

In gebieden met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën:

  • categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd;
  • categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden;
  • categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.


Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden:

  • het gaat om kleinschalige, ambachtelijke bedrijvigheid;
  • productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats;
  • de activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats;
  • activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.


Naast bovengenoemde randvoorwaarden zijn bij de keuze van de activiteiten de volgende criteria gehanteerd:

  • voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1;
  • voor categorie B betreft het activiteiten:
  • in categorie 1 voor het aspect gevaar;
  • in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur;
  • in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid;
  • met een index voor verkeer van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen);
  • voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, maar met een index voor verkeer van maximaal 2G (goederen) en 3P (personen).


Op basis van de bovenstaande categorie-indeling, voorwaarden en criteria is in bijlage 4 van de VNG-publicatie een voorbeeld van een Staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging opgenomen.


Toetsing ontwikkelingen binnen het plangebied

Het plangebied is aan te duiden als een gemengd gebied, een gebied met functiemenging. Het plangebied ligt namelijk in het centrum van Heerlen. Zoals hiervoor aangegeven is een stadscentrum een gebied met functiemenging.


Binnen het plangebied worden de volgende functies toegestaan:

  • wonen;
  • horeca;
  • leisure;
  • dienstverlening;
  • detailhandel;
  • verblijfsgebied.

In de regels van het bestemmingsplan wordt voor alle duidelijkheid geen bedrijfsbestemming opgenomen en evenmin wordt groothandel toegestaan. Ook Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan binnen het plangebied.


Op basis van de categorie-indeling voor gebieden met functiemenging worden binnen het plangebied overwegend categorie A functies mogelijk gemaakt en enkele categorie B functies.


De voorgestane nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied leveren kortom geen onaanvaardbare hinder in de zin van bedrijven en milieuzonering op voor de woningen in en rondom het plangebied. Voor de nadere onderbouwing van de inpasbaarheid van het Schinkelkwadrant-Zuid wordt tevens verwezen naar de afzonderlijke onderzoeksparagrafen in dit hoofdstuk, waaronder paragraaf '5.2 Akoestiek'.


Voorts dient ook te worden bekeken of er nabij het plangebied inrichtingen zijn gevestigd die milieuhinder kunnen veroorzaken. In de directe omgeving zijn uitsluitend inrichtingen gevestigd die passend zijn binnen een gebied met functiemenging. Er zijn kortom in de directe omgeving geen inrichtingen gelegen die de ontwikkeling van de woningen binnen het plangebied zouden kunnen belemmeren en tevens frustreren de te realiseren woningen omliggende inrichtingen niet in hun functioneren. Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen.

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit zijn nagenoeg alle bedrijfstakken onder het systeem van algemene regels gebracht, waarmee de rijksoverheid de lastendruk voor het bedrijfsleven hoopt te reduceren. Voor veel groepen van bedrijven vervalt de meldingsplicht of de vergunningsplicht. Voor detaillisten, kantoorgebouwen, scholen en dergelijke vervalt in veel gevallen de meldingsplicht. Er moet echter wel worden voldaan aan de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Ook voor de diverse nieuw te realiseren inrichtingen binnen het plangebied geldt dat men moet voldoen aan de algemene regels van het Activiteitenbesluit.


Conclusie

Op basis van de bovenstaande uitgangspunten kan geconcludeerd worden dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen bestaan voor de beoogde herontwikkeling binnen het plangebied.

5.11 Archeologie

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988, die vanaf 1 juli 2016 deels is overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen.

De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Monumentenwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens.

5.11.1 Gemeentelijk beleid

Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld, de archeologische beleidskaart. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat haar neerslag heeft gevonden in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart die door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld op 1 oktober 2013.

Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn.

In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden.


Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten

Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet vereist.


Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen

Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder dan 40 cm diep.


Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde

Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht.


Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde

In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht.


Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde

In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.


In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".

5.11.2 Plangebied

Volgens de Archeologische Verwachtings- en Cultuurhistorische Advieskaart voor Parkstad Limburg en de gemeente Nuth, deelkaart gemeente Heerlen (noord) geldt voor het plangebied een hoge archeologische waarde. In het kader van de ontwikkelingen met betrekking tot het Schinkelkwadrant-Zuid, zijn daarom in het kader van het vigerende bestemmingsplan reeds enkele onderzoeken uitgevoerd:

  • Synthegra BV, Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennend booronderzoek Schinkelkwartier te Heerlen, gemeente Heerlen, 11-03-2013 (Bijlage 8).
  • Gemeente Heerlen, Programma van Eisen Schinkelkwartier-Zuid Heerlen, 15-03-2018 ( Bijlage 9).

Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies uit de uitgevoerde onderzoeken. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapporten.

Specifieke archeologische verwachting bureauonderzoek

Op basis van het bureauonderzoek is aan het plangebied een onbekende verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het midden-paleolithicum en een lage verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Voor nederzettingsresten uit de latere periode is respectievelijk een middelhoge (neolithicum), onbekende (bronstijd), hoge (late bronstijd - vroege ijzertijd), middelhoge (ijzertijd) en hoge verwachting (Romeinse tijd - middeleeuwen) toegekend. Voor vindplaatsen uit de nieuwe tijd is een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van deze verwachting.


Archeologische interpretatie veldonderzoek

Plaatselijk is een intacte ooivaaggrond aangetroffen, die is ontwikkeld in colluvium. Een datering van het colluvium is onbekend, maar gezien de vondsten in de directe omgeving is, zeker het dieperliggende colluvium, ouder dan de Romeinse tijd. Mogelijk dat de bovenste laag (bruinoranje gekleurde) colluvium het Romeinse niveau afdekt. In een groot deel van het plangebied is de bodem in meer of mindere mate verstoord.


Binnen 2,0 m beneden maaiveld zijn geen aanwijzingen gevonden (in de vorm van een bodemhorizont) voor een dieperliggend archeologisch niveau. Daarom is de onbekende verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het midden-paleolithicum voor de bovenste 2,0 m op laag gesteld. Dieper dan 2,0 m beneden maaiveld blijft een onbekende verwachting gelden. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum bij te stellen. De middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum blijft daarom gehandhaafd.


Nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken en zijn mogelijk nog intact. Bij eerder onderzoek is een archeologisch niveau (uit de Romeinse tijd) in het plangebied aangetroffen op circa 80 cm beneden maaiveld. Dit is vastgesteld bij het bouwrijp maken van het plangebied in de jaren '60. Mogelijk is deze waarneming gedaan bij de aanleg van de kelder die op deze locatie is gerealiseerd. Afgezien van deze kelder is op nog twee locaties een kelder aangelegd. Ter plaatse van de kelders zijn de eventueel aanwezige archeologische resten verloren gegaan. Op de rest van de locatie kan het archeologische niveau nog intact zijn. In die tijd werd voor de bebouwing meestal minder diep gegraven en was er geen sprake van een grootschalige funderingsput. Mogelijk zijn slechts funderingssleuven tot op het archeologische niveau aangelegd en is de rest van de bodem nog intact aanwezig. Tijdens het booronderzoek is aangetoond dat het niveau in ieder geval ter plaatse van boring 3 nog intact is. Op basis hiervan blijft het verwachtingsmodel, dat is opgesteld op basis van het bureauonderzoek voor de perioden neolithicum - middeleeuwen gehandhaafd.


Dit betekent een middelhoge verwachting voor neolithicum, een onbekende verwachting voor de bronstijd, een hoge verwachting voor de late bronstijd - vroege ijzertijd, een middelhoge verwachting voor de ijzertijd en een hoge verwachting voor de Romeinse tijd tot en met de middeleeuwen. De lage verwachting voor nederzettingsresten uit de nieuwe tijd blijft eveneens gehandhaafd.


Aanbeveling

Ter plaatse van de huidige kelders zijn eventueel aanwezige archeologische resten al verloren gegaan en is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.


Op basis van het vooronderzoek blijkt dat in de rest van het plangebied een (deels) intacte archeologische vindplaats aanwezig kan zijn. Wanneer in het plangebied bodemingrepen zijn gepland die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld is vervolgonderzoek noodzakelijk. Hierbij dient te worden opgemerkt dat niet duidelijk is of onder de huidige bebouwing een intact archeologisch niveau aanwezig is. Op basis van de datering van de bebouwing en de gegevens van waarnemingsnummers 36.683 en 36.684 is aangenomen dat met uitzondering van de onderkelderde locaties geen sprake is van een diepe en grootschalige fundering en dat de kans op een intact archeologisch niveau groot is. Mogelijk dat een bouwdossieronderzoek hier meer duidelijkheid over kan geven of dat de gemeente zelf ervaringen heeft met betrekking tot de bouw en sloop van bebouwing uit deze periode.


Aangezien het grootste deel van het plangebied op dit moment is bebouwd, is het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek niet mogelijk. Daarnaast bestaat er onduidelijkheid over de intactheid van het archeologische niveau (zie bovenstaande alinea). Synthegra adviseert daarom een archeologische begeleiding onder protocol opgraving ter plaatse van de bebouwing die niet is onderkelderd. In eerste instantie betreft het een begeleiding van de sloop van de bebouwing (verwijderen van de fundering).


Afhankelijk van de bevindingen van de sloopbegeleiding, dient ook de nieuwbouw (aanleg van de bouwput) archeologisch begeleid te worden. Het doel van dit onderzoek is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van eventueel aanwezige archeologische resten. Voor dit onderzoek (zowel de sloopbegeleiding als de archeologische begeleiding van de nieuwbouw) is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE worden de werkwijze en de randvoorwaarden van het onderzoek vastgelegd.


Programma van Eisen

Door de gemeente Heerlen is een PvE opgesteld voor het plangebied. Kort samengevat is het doel van het proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) om vast te stellen of zich in het plangebied archeologische sporen en/of resten bevinden die bij de sloop bedreigd worden. Archeologische sporen en resten worden in principe tot op het niveau van een regulier proefsleuvenonderzoek gedocumenteerd. Indien echter tijdens het proefsleuvenonderzoek, variant archeologische begeleiding, behoudenswaardige archeologische vindplaatsen worden aangetroffen, en behoud in situ (bescherming ter plaatse) niet mogelijk is, worden de resten in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag, opgegraven volgens het protocol Opgraving (behoud ex situ).

Conclusie

In het kader van het bestemmingsplantraject kan worden volstaan met de uitgevoerde onderzoeken. Voor de delen van het plangebied waarvoor een vervolgonderzoek wordt geadviseerd, wordt op de verbeelding overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen, waaraan in de regels specifieke voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische resten.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

5.12 Cultuurhistorie

Binnen het plangebied zijn geen monumenten gelegen. Wel zijn in de omgeving enkele monumenten gelegen, maar daarop wordt met de herontwikkeling van het Schinkelkwadrant-Zuid geen invloed uitgeoefend.


Verder zijn er in de directe omgeving geen beeldbepalende of monumentale panden gelegen, voorzien van een beschermende regeling, die door de beoogde herontwikkeling zouden kunnen worden beïnvloed.

5.13 Windhinder

Gezien de hoogte van de toekomstige bebouwing is door Royal HaskoningDHV een windscan uitgevoerd om het toekomstige windklimaat te bepalen. Hierbij is uitgegaan van globale kaders. Hoewel de kaders inmiddels nadere zijn geconcretiseerd, blijven de conclusies en voorwaarden voor vervolgonderzoek onverkort van toepassing.

Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 10 bij deze toelichting is opgenomen.

Op basis van de resultaten van de quickscan kan geconcludeerd worden dat voor het te herontwikkelen Schinkelkwadrant-Zuid het toekomstige windklimaat van de meeste buitenruimtes acceptabel zal zijn voor alle activiteiten. Bij de onderzochte windrichtingen is het mogelijk dat in een beperkt aantal gebieden bij de gebouwhoeken een verslechtering van het windklimaat verwacht kan worden. In deze gebieden zal het windklimaat acceptabel zijn voor de activiteit “doorlopen”.


Echter, uitzondering is de locatie rond de toren (het deel waar een maximale hoogte van 47 meter zal worden toegestaan). In dit gebied kan, gezien de hoogte van de toren en de beperkte beschutting door andere gebouwen, windhinder optreden. Voornamelijk op de gebouwhoek aan de zuidwestkant (de dominante windrichting) wordt een verslechtering van het windklimaat verwacht.


Gezien de hoogte van de toren en de te verwachte versnelling van de wind, kan ook aangenomen worden dat aan de zuidwest-kant van het nieuwe Schinkelkwadrant-Zuid het optreden van windgevaar aannemelijk is.


Geconcludeerd wordt dat indien in de verschillende plangebieden de activiteiten “slenteren” of “zitten” worden gepland, er een risico bestaat dat het windklimaat van het te herontwikkelen Schinkelkwadrant-Zuid niet voldoet aan de toetsingscriteria zoals genoemd in de norm NEN8100 “Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving”. Hiermee wordt ook niet voldaan aan de randvoorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot windhinder en windgevaar. In overweging kan worden genomen de windsnelheid af te remmen door het aanplanten van vegetatie, eventueel in combinatie met gedeeltelijk open schermen of luifels.


Op het moment dat de exacte indeling en hoogtes van de gebouwen in het plan definitief zijn, wordt geadviseerd een kwantitatief onderzoek te laten plaatsvinden. Op het uitvoeren van een windstudie rust geen wettelijke verplichting. Echter, gezien de resultaten van de quickscan is een vervolgonderzoek noodzakelijk om de mate van windhinder eenduidig vast te leggen en in een later stadium conflicten te voorkomen. Met een kwantitatieve studie kan ook een prognose gegeven worden over welke activiteiten aan te raden zijn rond de nieuwbouw. Dit onderzoek is bovendien volgens de Nederlandse norm NEN 8100 noodzakelijk voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 m. Met een kwantitatieve studie kan het windklimaat getoetst worden aan de NEN 8100. Nader onderzoek wordt ook aanbevolen om daarmee tevens een uitspraak te kunnen doen over de noodzakelijkheid van maatregelen.

Om het bovenstaande te waarborgen, zijn in artikel 4.4.3 van de regels voorwaarden opgenomen ten aanzien van de verplichting tot het uitvoeren van het kwantitatieve onderzoek. Dit onderzoek zal moeten worden gevoegd bij de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen.

5.14 Bezonningsstudie

In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een bezonningsstudie (studie naar schaduwwerking) uitgevoerd om de eventuele consequenties met betrekking tot de bezonning van de gevels en percelen van omliggende bebouwing in beeld te brengen. Onderstaand worden kort de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 11 bij deze toelichting is opgenomen.

In de rapportage zijn drie situaties onderzocht:

  • 1. De feitelijke bestaande situatie;
  • 2. De juridisch-planologisch bestaande situatie;
  • 3. De juridisch-planologische nieuwe situatie.

Onderstaand worden de bevinden per weg weergegeven. Vervolgens wordt ingegaan op de conclusies.

Geerstraat

De Geerstraat bevindt zich ten noordwesten van het ‘Schinkelkwadrant-Zuid’. De nieuwe bebouwing die mogelijk gemaakt wordt middels het nieuwe bestemmingsplan heeft weinig invloed op de bezonning. De nieuwe bebouwing direct achter de woningen gelegen, is niet veel hoger dan de bestaande bebouwing. Bovendien is er een lager bouwdeel (van 1 bouwlaag) gelegen tussen de bestaande bebouwing van 3 bouwlagen en de beoogde nieuwe bebouwing van 4 bouwlagen. Hierdoor werpt deze nieuwe bebouwing géén schaduw op de percelen of achtergevels van de woningen aan de Geerstraat.

De voorgenomen torens op de hoek van de Geerstraat en de Promenade zijn 24,5 meter en 43 meter hoog. De bezonning van met name de Geerstraat 22, 24 en 26 neemt op meerdere peilmomenten af. Deze adressen zijn het dichtst tegen de torens gelegen.

Planologisch gezien neemt de bebouwingshoogte direct achter de woningen aan de Geerstraat af ten opzichte van de huidige planologische situatie. In de huidige situatie is bebouwing tot 22 meter toegestaan, in de nieuwe planologische situatie is hier een bebouwingshoogte van 3,5 meter tot 14 meter toegestaan. De bestemmingsplanwijziging heeft tot gevolg dat hier minder hoge bebouwing mogelijk is, hetgeen dus ook leidt tot minder schaduw op de aangrenzende percelen.

Schinkelstraat

De Schinkelstraat 25 bevindt zich op de hoek van de Geerstraat. In de ochtenden werpt de
bebouwing direct achter het perceel gedeeltelijk een schaduw op het perceel. In de feitelijk
bestaande situatie staan hier gebouwen van ca. 3 meter hoog. Hier is het in de huidige
planologische situatie toegestaan om hoger te bouwen, namelijk tot 22 meter. Het is in de
nieuwe planologische situatie toegestaan om hier tot 14,5 meter hoog te bouwen.

Schinkelstraat 5 bevindt zich ten noordoosten van de ontwikkeling en ondervindt zodoende
geen verandering met betrekking tot de bezonning in de ochtenden. Wanneer de zon draait in de middagen is er slechts een gedeeltelijke afname waarneembaar. De planologische situatie met betrekking tot de bezonning verbetert ten opzichte van de bestaande planologische situatie. In de bestaande situatie is op het gehele bouwvlak achter de woning een bouwhoogte van 14 meter toegestaan. In de toekomstige planologische situatie is er een strook achter de woning waar maar tot 10,5 meter mag worden gebouwd. Hierdoor is de schaduwwerking op de percelen aan de Honigmannstraat en Schinkelstraat kleiner.


Schinkelstraat 22,4 en 2 bevinden zich aan de overkant van de straat met de voorgevel op het zuiden, richting het Schinkelkwadrant. De bezonning van de gevel van Schinkelstraat 4 neemt op alle peilmomenten af, de gevel blijft wél op alle onderzochte peilmomenten zon ontvangen. De gevels van Schinkelstraat 22 en 4 ontvangen minder zon. De gevels van de Schinkelstraat 22,4 en 2 ontvangen op alle onderzochte peilmomenten zon.

Honigmannstraat

Honigmannstraat 29 – 49 bevinden zich aan de oostelijke kant van de ruimtelijke ontwikkeling. Dit betekent dat deze percelen en gevels het meeste zon ontvangen in de ochtenden en middagen. De bezonning in de nieuwe planologische situatie is grotendeels gelijk aan de bestaande feitelijke situatie en verbetert ten opzichte van de bestaande planologische situatie. De verbetering komt door de strook met een lagere bebouwingshoogte direct achter de woning. Deze zorgt voor minder schaduw op de percelen en gevels.

Op basis van de onderzoeksresultaten ontvangen Honigmannstraat 41 en 39 als gevolg van de bestemmingsplanwijziging op 2 van de 16 peilmomenten geen enkele bezonning op het perceel. Op dezelfde momenten ontvangen zij in de bestaande feitelijke situatie slechts zon op een deel van het perceel. Deze peilmomenten zijn laat op de dag waarop de zon laag staat en lange schaduwen werpt. Wanneer we op dezelfde peilmomenten kijken naar de bestaande planologische situatie in vergelijking met de nieuwe planologische situatie verbetert de situatie.

In de nieuwe planologische situatie is er een strook met een lagere toegestane bouwhoogte achter de bestaande bebouwing gelegen, waardoor op het einde van de middag méér zon op het perceel valt dan in de huidige planologische situatie.

Honigmannstraat 38 – 44 bevinden zich aan de oostkant van het Schinkelkwadrant-Zuid aan de overzijde van de straat. Er is geconstateerd dat er in de nieuwe planologische situatie op alle peilmomenten zon op de gevel valt en dat de bestemmingsplanwijziging op deze gevels geen effect heeft met betrekking tot de bezonning.

Conclusie

Gesteld kan worden dat:

  • bij een minimale afname er een voldoende bezonning is of deze in ieder geval valt te verantwoorden omdat het effect klein is;
  • bij een matige afname er extra onderzoek dient te worden gedaan naar het effect.
  • bij een forse afname sprake is van een onvoldoende bezonning.


Op basis van het onderzoek blijkt dat in het laatste geval bij alle adressen dat het effect in de bezonning vele male kleiner is wanneer de huidige planologische situatie (in plaats van de feitelijke situatie) met de nieuwe planologische situatie vergeleken wordt. Voor zowel de westzijde als oostzijde betekent het zelfs een verbetering van de bezonning.

Op basis van de bovengenoemde bevindingen voor de diverse locaties worden de volgende conclusies getrokken:

Bestaande bebouwing westzijde ontwikkeling

Wanneer de huidige feitelijke situatie vergeleken wordt met de nieuwe planologische situatie, wordt voor de volgende adressen een minimale afname van de bezonning geconstateerd:

  • Geerstraat 24;
  • Geerstraat 26, 26a;
  • Geerstraat 30 a t/m d;
  • Geerstraat 32 a t/m b;
  • Schinkelstraat 25.

Voor de onderstaande adressen wordt een matige afname van de bezonning geconstateerd:

  • Geerstraat 22.

Hierbij diet de kanttekening geplaatst te worden dat wanneer voor bovenstaande adressen de vergelijking gemaakt wordt tussen de huidige planologische situatie en de nieuwe planologische situatie, gesteld kan worden dat de bezonning in de nieuwe planologische situatie gunstiger is dan de huidige planologische situatie. Dit komt doordat in de huidige planologische situatie een bouwblok met een hoogte van 22 meter mogelijk is waar in de nieuwe planologische situatie slechts een hoogte van 14,5 meter mogelijk wordt gemaakt. Bovendien is er een strook direct grenzend aan deze percelen voorzien, waar bebouwing tot een hoogte van slechts 3,5 meter mogelijk is.

Bestaande bebouwing oostzijde ontwikkeling

Wanneer de huidige feitelijke situatie vergeleken wordt met de nieuwe planologische situatie, wordt voor de volgende adressen een minimale afname van de bezonning geconstateerd:

  • Honigmannstraat 29;
  • Honigmannstraat 31 a-d;
  • Honigmannstraat 33;
  • Honigmannstraat 37;
  • Honigmannstraat 37a-c;
  • Honigmannstraat 43;
  • Honigmannstraat 45, 45a;
  • Honigmannstraat 47;
  • Honigmannstraat 49;
  • Honigmannstraat 39;
  • Honigmannstraat 41.

Hierbij dient de kanttekening gemaakt te worden dat wanneer voor bovenstaande adressen de vergelijking wordt gemaakt tussen de huidige planologische situatie en de nieuwe planologische situatie, gesteld kan worden dat de afname van de bezonning minder groot is. Dit komt doordat in de huidige feitelijke situatie een parkeerterrein volledig onbebouwd grenst aan deze percelen. In de huidige planologische situatie is een bouwhoogte van 14 meter mogelijk. In de nieuwe planologische situatie blijft deze bouwhoogte gelijk, afgezien van een strook grenzend aan de percelen met een lagere toegestane bouwhoogte van 10,5 meter.

Gevels

Voor de studie naar de bezonning van de gevels van onderstaande adressen is er géén afname te constateren:

  • Honigmannstraat 38;
  • Honigmannstraat 40 a t/m b;
  • Honigmannstraat 42;
  • Honigmannstraat 44.

Gecontateerd is dat sprake is van een minimale afname van de bezonning van de gevels van het onderstaande adres:

  • Schinkelstraat 2.

Er is een matige afname van de bezonning van de gevels van de onderstaande adressen te constateren:

  • Schinkelstraat 22;
  • Schinkelstraat 4.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Zuid 2018'.

6.1 Inleiding

Bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2018 bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van voorliggende toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie; GBKN) en kadastrale begrenzingen.

De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het sjabloon regels dat onderdeel uit maakt van het Handboek ruimtelijke plannen van de gemeente Heerlen.

6.2 Opbouw van de regels

De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels én die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven over hoe gemeten moet worden.

6.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verleend welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.


De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden.

Hierna volgt per bestemmingsonderdeel een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen, bedrijven, detailhandel, recreatie, horeca etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.
De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfuncties ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. Tevens wordt aangegeven welke functies bij de bestemming behoren door middel van de zin 'met daarbij behorende'. Het betreft hier meestal functies als paden, groen, erven, etc. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel, maar bevat ook inrichtingsaspecten.


Bouwregels
In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvan afgeweken wordt, de maximale afwijking die met de afwijking kan worden toegestaan en eventueel de situaties of voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend.

Het gaat hier om afwijkingbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Als afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).

Specifieke gebruiksregels

In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Hierin worden niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.


Afwijken van de gebruiksregels

Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel afwijking kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via afwijking kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen.


Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden

Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen, dienen soms aan een omgevingsvergunning gebonden te worden.

6.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat wanneer bepaalde gebouwen en
bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.


Algemene bouwregels

Met de algemene bouwregels wordt de bouw van bepaalde bouwwerken geregeld, die zijn toegestaan (of uitgesloten) binnen alle bestemmingen, voor zover daar per bestemming geen specifieke bouwregels voor zijn opgesteld.


Algemene gebruiksregels

In deze bepaling wordt aangegeven wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. De specifieke gebruiksregel, zoals deze kan worden opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen, is aanvullend op de algemene gebruiksregel van het bestemmingsplan. Daarnaast is in dit artikel geregeld dat bij het bouwen voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid.

Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Deze vallen samen met diverse bestemmingen, maar zijn niet aan te merken als dubbelbestemming.


Algemene afwijkingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan.

Specifieke, op de bestemmingen gerichte, afwijkingen zijn reeds opgenomen onder de betreffende bestemming.

De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, worden aangegeven.

Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om een gedeelte van het plan te wijzigen ten behoeve van (geringe) wijziging van bestemmingsgrenzen op perceelsniveau of de vestiging van een seksinrichting. Per wijziging zijn voorwaarden opgenomen waaraan de wijziging moet voldoen.

Overige regels

Dit sublid geeft aan hoe andere wettelijke bepalingen, waarnaar is verwezen in de regels, dienen te worden geïnterpreteerd

6.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsbepalingen

In deze bepalingen wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.


Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het bestemmingsplan.

6.3 Toelichting van de bestemmingsregels

Deze paragraaf beschijft hoe de verschillende bestemmingen in het plangebied zijn toegekend.

6.3.1 Centrum

Voor de bestaande bebouwing aan de Honigmannstraat 47 is overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Centrum' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn toegelaten detailhandel, dienstverlening (met uitzondering van maatschappelijke dienstverlening) en leisure, voor zover voorkomen op de bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten. Daarnaast is uitsluitend op de verdiepingen wonen toegestaan, met dien verstande dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan 2.

6.3.2 Wonen

Aan alle overige gronden binnen het plangebied is de bestemming 'Wonen' toegekend. De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor woondoeleinden en tuin. Het aantal woningen binnen deze bestemming is begrensd op 156. Daarnaast is maximaal 1.000 m² bvo aan commerciële functies toegestaan in de vorm van horeca, leisure en andere bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel. Voor de 1.000 m² bvo aan commerciële functies geldt verder dat deze uitsluitend zijn toegestaan indien hiervoor woningen worden ingeruild, waarbij per 100 m² aan commerciële functies 1 woning op het toegestane totale aantal in mindering dient te worden gebracht. Bij volledige invulling van de 1.000 m² bvo aan commerciële functies zijn dus maximaal 146 woningen toegestaan van de maximale 156 binnen de bestemming 'Wonen'.

Voor de bestaande bebouwing op de hoek van de Honigmannstraat en de Promenade geldt dat wonen op de begane grond niet is toegestaan. Ter plaatse is wel detailhandel toegestaan, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan en overeenkomstig het retailbeleid.

De commerciële functies zijn verder uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak aan de zijde van de Promenade. Hiervoor is op de verbeelding de aanduiding 'centrum' opgenomen. Horeca is uitsluitend toegestaan op de hoek Promenade - Geerstraat, op de begane grond van de locatie waar het hoogteaccent is toegestaan. Het aantal horecavestigingen mag niet meer bedragen dan 2.

Verder geldt voor de woningen dat in paragraaf 4.4.1 van de regels verankerd is dat van de 156 woningen die dit bestemmingsplan binnen de bestemming 'Wonen' mogelijk maakt, 96 woningen rechtstreeks zijn toegestaan. Voor de overige 60 woningen geldt dat deze enkel zijn toegestaan vanaf het moment dat het bevoegd gezag heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan de in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg opgenomen eis van compensatie van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering, in de verhouding 1 toe te voegen woning : 4 te schrappen woningen.

6.3.3 Waarde - Archeologie 2

Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. In deze dubbelbestemming zijn specifieke voorwaarden opgenomen waaraan bij de toekomstige aanvragen voor een omgevingsvergunning voldaan dient te worden.

6.4 Bijzondere regelingen

6.4.1 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving

Het komt regelmatig voor dat mensen bij de gemeente een verzoek indienen om een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit te mogen uitoefenen in hun woning. De gemeente staat hier niet onwelwillend tegenover, mits dit binnen bepaalde kaders plaatsvindt. Een belangrijk criterium is dat de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Voor een eenduidige beoordeling van dergelijke verzoeken is de beleidsregel 'beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving' op 25 februari 2014 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.

In de beleidsregel wordt bedrijvigheid in de woonomgeving in een tweetal subcategorieën onderverdeeld:

  • a. de vrije beroepen, beroepen aan huis, ofwel aan huis gebonden beroepen (deze begrippen worden synoniem gebruikt);
  • b. de consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten.

Aan huis gebonden beroepen

Onder de aan huis gebonden beroepen worden in ieder geval begrepen: architect, advocaat, acupuncturist, beeldhouwer, belastingadviseur, fysiotherapeut, grafisch ontwerper / desktop publisher, huisarts, hypotheekadviseur, juridisch adviseur, kunstschilder, makelaar, notaris, psycholoog, tandarts, verloskundige, dierenarts (kleine huisdieren), zakelijke dienstverlener, logopedist.

Aan huis gebonden beroepen worden van oudsher geacht binnen de woonbestemming te passen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn aan huis gebonden beroepen binnen de bestemming 'Wonen' dan ook rechtstreeks toegestaan.

Consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten

Onder consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten wordt dienstverlenende of ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging verstaan. Dergelijke activiteiten wijken qua aard, karakter en hinder niet wezenlijk af van aan huis gebonden beroepen en kunnen dus eveneens plaatsvinden in de woonomgeving. Wel gelden hiervoor specifieke randvoorwaarden, die zijn vastgelegd in de beleidsregel.

Tot consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten worden onder meer de volgende activiteiten/beroepen gerekend: fotograaf/videograaf, autorijschool (geen theorielessen aan huis), bloemschikker, decorateur, fietsenreparateur, goud- en zilversmid, hoedenmaker, hondentrimmer, pottenbakker, instrumentenmaker, kaarsenmaker, klompenmaker, lijstenmaker, loodgieter, meubelmaker, computerservice (o.a. systeembouw/-analyse), schoonheidsspecialist, kapsalon, traiteur, muziekinstrumentenmaker, zadelmaker, nagelstudio, reisorganisatie (kleinschalig), koeriersdienst (zonder afhalen aan huis), prothesemaker, reparatie van kleine consumentenartikelen (smartphones, radio's, tv's, horloges, antiek, etc.), glazenwasser, webshop (administratie, opslag, logistiek, zonder afhalen aan huis).

In de bestemming 'Wonen' van dit bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, waarmee de uitoefening van consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten mogelijk wordt gemaakt. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals die ook in de beleidsregel zijn opgenomen, kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.4.2 Prostitutie- en seksinrichtingen

Door het verdwijnen van het algemeen bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht kan de vestiging van een bordeel niet meer verboden worden. Het is derhalve noodzakelijk om middels beleid en een adequate planologische regeling de vestiging van prostitutiebedrijven te reguleren. De planologische regeling heeft betrekking op de bestemmingen die - volgens de jurisprudentie - het gebruik ten behoeve van prostitutie niet geheel uitsluiten. Gedoeld wordt op de bestemmingen die wonen, horeca, dienstverlening en bedrijven toelaten.

De gemeenten in Parkstad Limburg hebben een gezamenlijk regionale visie met betrekking tot het prostitutiebeleid ontwikkeld. Het opstellen van de “Parkstadnota regionale visie prostitutiebeleid” werd noodzakelijk geacht omdat een zeer stringent lokaal beleid kan leiden tot verplaatsing van de in de gemeenten aanwezige prostitutiebedrijven naar omringende gemeenten, die een minder stringent beleid voeren. Door regionaal beleid wordt voorkomen dat ongewenste bewegingen ontstaan in de vestiging van prostitutiebedrijven en kunnen gemeenten beargumenteerd bepaalde vormen van prostitutiebedrijven uitsluiten.

In de “Beleidsnota Seksinrichtingen, sekswinkels en escortbedrijven Heerlen” (oktober 2000) is het gemeentelijk beleid neergelegd. In deze nota is ruimtelijk beleid geïntegreerd in het totale beleid. Eén van de zes hoofddoelstellingen die ten grondslag lagen bij de opheffing van het algemeen bordeelverbod was: de beheersing en regulering van exploitatie van prostitutie.

In de huidige situatie liggen er 9 locaties voor seksinrichtingen verspreid over het gemeentelijk grondgebied. Voor deze locaties is een parapluplan opgesteld, bestemmingsplan prostitutie (onherroepelijk per 24 april 2007).

Binnen het plangebied zijn geen sekinrichtingen aanwezig en deze worden in het voorliggende bestemmingsplan ook niet mogelijk gemaakt.

6.4.3 Staat van Bedrijfsactiviteiten

De bij dit bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de categorale indeling van bedrijfstypen uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.


In gebieden met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden, maar wordt de toelaatbaarheid van milieubelastende functies beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën:

  • categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd;
  • categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden;
  • categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.


In paragraaf 5.10 is hier nader op ingegaan. De Staat van bedrijfsactiviteiten is als Bijlage 1 opgenomen in de regels. In de Staat van bedrijfsactiviteiten van dit bestemmingsplan zijn alleen de bedrijfstypen opgenomen die vanwege de aard en omvang van hun activiteiten passen in het plangebied.

Hoofdstuk 7 Handhaving en uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan heeft verscheidene functies. De belangrijkste functie betreft wellicht de normerende functie.
Het bestemmingsplan geeft bindende regels voor het gebruik van de in het betreffende plan opgenomen gronden. Dit betreft gebruik in ruime zin. Niet enkel het feitelijke gebruik, maar ook de bebouwing van deze gronden en het gebruik van opstallen worden door het bestemmingsplan gereguleerd. Om recht te doen aan deze functie, is tijdens het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan ruime aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de opgestelde regels.

Er is sprake van een inzichtelijke en realistische juridische regeling. Dat wil zeggen, dat het plan niet onnodig beperkend of inflexibel is. De regels dienen niet meer, maar ook niet minder te regelen dan noodzakelijk is. Daarnaast is er sprake van een ondubbelzinnige en juridisch juiste regeling, die voor eenieder duidelijk is en weinig procesrisico kent.

7.1 Handhavingsbeleid

Binnen de gemeente Heerlen vormt de handhaving van bestemmingsplannen een expliciet onderdeel van het handhavingsbeleid en is opgenomen in de beleidsnota
"Handhaving bouw- en ruimtelijke regelgeving". In deze nota wordt onder meer aandacht besteed aan de wijze, waarop handhaving zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat tegen iedere overtreding wordt opgetreden. Verder wordt in deze nota de wijze van prioritering weergegeven. Op basis van jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma's vindt vervolgens het uitvoeren van toezicht en daadwerkelijke handhaving plaats.

Bij het overtreden van de regels van het bestemmingsplan kan het college de volgende sanctionerende maatregelen toepassen: bestuursrechtelijk handhaven (last onder bestuursdwang of last onder dwangsom) of strafrechtelijk handhaven (economisch delict).

7.2 Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de financiële uitvoerbaarheid bedoeld.


Voor het plangebied Schinkelkwadrant-Zuid is een exploitatieplan opgesteld. In het exploitatieplan is onder andere aangegeven wat de kosten voor het ontwikkelen van het gebied zijn en hoe deze kosten worden gedekt.

Hoofdstuk 8 Procedure en overleg

In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan Schinkelkwadrant-Zuid 2018.

8.1 Procedurestappen

Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:

8.1.1 Ontwerp

Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.

8.1.2 Vaststelling

De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

8.1.3 Beroep

Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.2 Vooroverleg

Het voorontwerpbestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Zuid 2018' is in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd, te weten de provincie Limburg, het Waterschap Limburg en de Veiligheidsregio Zuid-Limburg.

In totaliteit zijn twee reacties ontvangen, te weten van de Brandweer Zuid-Limburg en de provincie Limburg. Deze reacties zijn onderstaand kort samengevat en daarbij is ook het standpunt van het college van burgemeester en wethouders opgenomen.

Vooroverlegreactie Brandweer Zuid-Limburg   Gemeentelijke standpunt  
Door de Brandweer Zuid-Limburg is aangegeven dat een mogelijk incident met vervoer van brandbare gassen over het spoortraject niet zal leiden tot onherstelbare schade of slachtoffers in het plangebied. Een mogelijke drukgolf als gevolg van een BLEVE zal worden opgevangen door tussenliggende bebouwing tussen spoor en plangebied. De hittestraling die hierbij vrijkomt is op deze afstand zodanig afgezwakt dat er geen secundaire branden of onherstelbare schade aan het gebouw zal ontstaan. De Brandweer Zuid-Limburg ziet derhalve geen aanleiding om aanvullend advies te geven over het bestemmingsplan.   Deze reactie wordt ter kennisgeving aangenomen.  

Vooroverlegreactie provincie Limburg   Gemeentelijke standpunt  
Ten aanzien van het proces wordt door de provincie Limburg verzocht om op een gedegen wijze meegenomen te worden in het vervolgproces, om te komen tot een gezamenlijk gedragen plan.

In relatie tot de omgevingsverordening wordt gesteld dat op grond van artikel 2.2.2 onder lid 1 geldt dat in een ruimtelijk plan dat ziet op een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening gehouden moet worden met het gestelde in 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Oftewel dat de toelichting van een plan een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling. Deze beschrijving was nog niet opgenomen in de in het kader van het voorverleg toegestuurde samenvatting van het plan.

Opgemerkt wordt verder dat in artikel 2.4.2 lid 3 en 4 is opgenomen dat het toevoegen van woningen in de regio Zuid-Limburg alleen mogelijk is als het voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Om kwalitatief goede woningbouwinitiatieven mogelijk te maken is in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vastgelegd op welke wijze gecompenseerd moet worden. Allereerst moet gekeken worden of compenseren met direct gekoppelde sloop of onttrekking mogelijk is. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is zijn er een drietal mogelijkheden. Gevraagd wordt te beargumenteren op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de compensatieverplichting uit de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, aangezien deze argumentatie ontbrak in de toegestuurde samenvatting van het plan.

Verder worden opgemerkt dat in artikel 2.4.2 onder lid 6 is vastgelegd dat de toelichting bij het ruimtelijk plan een verantwoording bevat van de bijdrage die het ruimtelijk plan levert aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. Deze verantwoording ontbreekt in de samenvatting.
In het ambtelijk overleg van 29 mei 2018 is wel al een toelichting gegeven op welke wijze de compensatie mogelijk plaatsvindt. De eerste 98 woningen worden gecompenseerd middels directe sloop en de overige 60 woningen worden gecompenseerd middels het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarkt programmering. Deze compensatie vindt plaats in de verhouding 1:4. Dat betekent dat van 240 woningen de bouwtitels geschrapt moeten worden. De toelichting in het ambtelijk overleg wijkt af van de in de subregio gemaakte afspraken. Uit de samenvatting blijkt niet dat er opnieuw subregionale afstemming heeft plaatsgevonden met de regio Parkstad over het nieuwe plan, terwijl dit wel een van de vereisten is uit de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Gevraagd wordt dan ook om het plan opnieuw te bespreken in het Bestuurlijk Overleg Wonen en zorg te dragen voor een regionale afstemming. Daarnaast wordt gevraagd aan te geven wat er gebeurt met de overige 42 woningen (200-158) zoals die voorheen zijn afgestemd in het Bestuurlijk Overleg Wonen en zijn vastgelegd op de woningmarktprogrammering.  
De gemeente zal op een passende wijze omgaan met de opmerkingen en zal ervoor zorgen dat niet wordt voorzien in een programma waar geen behoefte voor bestaat, noch dat wordt gehandeld in strijd met uitgangspunten van bindend beleid of wet- en regelgeving.

 
Tot slot wordt opgemerkt dat in het plan is aangeven dat de mogelijkheid bestaat dat per 100 m² te realiseren commerciële functies er 1 woning minder mag worden gerealiseerd. Over de wijze van deze interne compensatie worden de volgende vragen gesteld:    
- Er wordt nu gesteld dat er per 100 m² te realiseren commerciële functies één woning minder wordt gerealiseerd, geldt dit ook voor de omgekeerde situatie waarin minder commerciële ruimte gerealiseerd wordt er meer woningen gerealiseerd mogen worden?   Dit is niet het geval, het aantal woningen blijft maximaal 158, waarvan 156 binnen de bestemming 'Wonen'.  
- Betekent dit dat het maximaal aantal te realiseren woningen hoe dan ook gecompenseerd worden? Of worden de in mindering gebrachte woningen niet meer meegenomen in de compensatie?   Compensatie dient plaats te vinden conform het bepaalde in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. De gemeente bewaakt dit onder meer met de in dit bestemmingsplan opgenomen voorwaardelijke bepaling. Op basis van een uitvoerig en zorgvuldig voorbereid uitvoeringsprogramma zal de gemeente, mede met het oog op belangen van andere betrokkenen, overgaan tot de benodigde compensatie.  

8.3 Overleg omgeving

Op 12 maart, 13 maart en 14 juni 2018 zijn inloopavonden georganiseerd waarbij burgers en maatschappelljke organisaties betrokken zijn bij de planontwikkeling.

8.4 Zienswijzen

Indien er zienswijzen worden ingediend zal hier op deze plaats nader worden ingegaan.